Ton van 't Hof's Blog: Ton van ’t Hof, page 42

February 16, 2023

Marie Claus, Brandstapelangst

De bundel Hier huizen draken (2022) van Marie Claus, die voorheen publiceerde onder de naam Anneke Claus, opent met het gedicht ‘Brandstapelangst’:

BRANDSTAPELANGST

Iemand noemde me heks. Het was lief bedoeld
en toch was ik meteen op mijn hoede.

Ik verstond: in treinstel 4045 is iemand van de relativering aanwezig.
Misschien zei hij toch eerder railcatering.

Waarom, als in mijn kop een leger messen klinkt,
komen er steeds weer droogbloemen uit mijn mond?

In een hoek van het vertrek staat een ongemakkelijke stoel,
een stoel voor een vrouw die van weinig ruimte innemen
zo’n sport gemaakt heeft dat ze eigenlijk in een kliniek thuishoort.

Zoals zij op die stoel kan zitten,
benen driedubbel over elkaar geslagen,

dood als een gedicht over objecten,
schuivend in tijd en ernstig licht.

Ik las: voor vaginisten is er een speciaal menu.
Waarschijnlijk stond er veganisten.

Ooit had ik een vriendin die glorieus met haar benen wijd kon zitten.
Zij werd een hij.

Iemand moet het van haar overnemen.
Iemand moet zo hard aan de bloemen trekken
dat de messen naar buiten komen.

Als jullie daar beginnen
breng ik die andere naar de kliniek.

*

Omdat ik bij eerste lezing geen flauw idee had waar dit gedicht over gaat, googelde ik het woord ‘brandstapelangst’ en stuitte op een interview met schrijfster Susan Smit, dat in mei 2021 in Trouw verscheen. Aanleiding voor het interview was de verschijning van Smits historische roman De heks van Limbricht. Smit, die zelf in de hekserij is ingewijd, betoogt dat de ‘hysterische heksenjachten’ in de 16e en 17e eeuw uit ‘pure, onversneden vrouwenhaat’ voortkwamen. De ‘vrouwenverbrandingen [hebben] de vrouwelijke kracht doen inboeten en veel zusterschap teloor doen gaan.’ Bovendien, voegt Smit toe, hebben vrouwen nog steeds last van brandstapelangst:

‘Daarme bedoel ik de angst voor dezelfde veroordeling, ridiculisering en uitsluiting waar vrouwen die vroeger aangewezen werden als heks mee te maken hadden. Brandstapelangst verhindert je om uit te spreken waar jij voor staat, om ruimte in te nemen in de maatschappij, om je eigen kracht en wijsheid uit te dragen.’

Aha, dacht ik, dáár gaat Claus’ gedicht dus over: over een ik, een zij, die zich uit angst voor negatieve oordelen niet durft te uiten, die haar ‘scherpe tong’ voor zich houdt. Ze maakt zich letterlijk en figuurlijk klein en is voortdurend bedacht op reacties uit haar omgeving, let gespannen op alles en iedereen. In de slotstrofes wordt duidelijk dat ze haar eigen gedrag als problematisch ervaart en wil aanpakken. Ze brengt de oude ik naar de kliniek en draagt de lezers op om haar nieuwe ik aan te horen.

De strofe ‘Ooit had ik een vriendin die glorieus met haar benen wijd kon zitten. / Zij werd een hij.’ lijkt te zijn ingegeven door de passage in het interview, waarin Smit aangeeft dat het voor vrouwen ten tijde van de heksenjachten niet meer veilig was om ‘met vrouwen alleen af te spreken, want dat kon worden aangemerkt als een heksensabbat.’

Hoe een interview kan leiden tot een gedicht. Claus moet toch iets in brandstapelangst herkend hebben. Wat niet wil zeggen dat Claus en de ik-figuur volledig samenvallen, maar me tot slot wel doet afvragen of de oude ik Anneke heet en de nieuwe Marie.

Hier huizen draken , Marie Claus, Lebowski, 2022
 •  0 comments  •  flag
Share on Twitter
Published on February 16, 2023 10:00

February 11, 2023

Poëzie is dood, leve poëzie!

Flarf: het lijkt alweer een eeuwigheid geleden. Een kleine revolutie in de jaren 00 met verstrekkende gevolgen: de verwerking van zoekresultaten in of tot gedichten is inmiddels gemeengoed geworden.

De verzameling zelfreflexieve poëzie – gedichten waarin expliciet over poëzie wordt nagedacht – bevat ook flarfgedichten. In 2008 publiceerde Amerikaan K. Silem Mohammad de flarfbundel Breathalyzer, waarin het flarfgedicht ‘I Said to Poetry’ is opgenomen:

IK ZEI TEGEN POËZIE

poëzie is dood, net zo makkelijk
als junkies die al hun geld aan drugs verspilden
werden afgemaakt

mijn persoonlijke management middelen (PMM) aanwendend
op mijn laptop en waardeloze dromen spuitend
volgens deze maatstaf is hij inderdaad een groot dichter
die een kinds soort Midzomernachtsdrooms
brabbelde en erin slaagde om,
zij het hakkelend, een nobele arbeidersvitaliteit uit te drukken
waarmee ik bedoel dat hij zijn prullerige poëzie
op een gratis internetsite zette

uiteraard hou ik van Courtney en haar essays
zijn in de toekomst verschenen
sommige zijn opgesmukt en sommige zijn gewoon
een blaasovenact ten overstaan van de hele wereld

wat een triest gewelddadig feit is
dat poëzie maar een bank is of zoiets

*

Gedichten waarin poëzie dood wordt verklaard stemmen me altijd vrolijk: ze zijn het apodictische bewijs dat poëzie onsterfelijk is. Hoezeer Silem Mohammad in ‘Ik zei tegen poëzie’ ook inbeukt op poëzie, ze geeft geen krimp, haalt de eindstreep, blijft fier overeind.

De titel verwijst naar een gelijknamig gedicht uit 1985 van Alice Walker, dat begint met de woorden ‘I said to Poetry: “I’m finished / with you”’ en waarin Walker haar moeizame verhouding met poëzie beschrijft. Gezien de openingsregels van beide gedichten zou het me niets verwonderen als Silem Mohammad Walkers gedicht of delen ervan in een zoekmachine heeft ingegeven, waarna hij een of meer zoekresultaten in of tot zijn flarfgedicht verwerkte.

De doodverklaring van poëzie doet ook denken aan een aloude avant-gardetruc, die een breuk met heden en verleden beoogt, opdat een nieuwe voorhoede zich kan aandienen. Silem Mohammad is zich hier duidelijk van bewust en verheft in strofe twee, ter verbreking, lompheid tot een esthetisch ideaal.

In de derde en vierde strofe krijgt het kapitalisme een klap om de oren, omdat het van de onbeduidende versjes van Courtney Love, weduwe van Kurt Cobain, een goed verkopend artikel heeft gemaakt: poëzie als handelswaar, een product waar je munt uit kunt slaan; wat volgens dit gedicht ‘een triest gewelddadig feit’ is.

Hoe instemmend mijn geknik.

 •  0 comments  •  flag
Share on Twitter
Published on February 11, 2023 08:21

February 7, 2023

Dromen, idealen

Aram Saroyan is bekend om zijn minimalistische gedichten: met weinig woorden tracht deze Amerikaanse dichter een groot effect te bereiken. Een van zijn verzen dat me telkens weer bekoort luidt zo:

Big thoughts.

*

Hoe vertaal je dit? Grootse ideeën? Ambitieuze plannen? Grote gedachten? De twee woorden stemmen me in elk geval hoopvol. Spreekt er een streven naar succes of invloed uit? Is het een verkiezingsleus of reclame-uiting? Vragen, geen antwoorden.

Heb ík eigenlijk nog gedurfde voornemens? Waar droom ik op mijn 63ste nog van? Voor welk ideaal wil ik nog strijden?

In gepeins verzink ik.

 •  0 comments  •  flag
Share on Twitter
Published on February 07, 2023 11:16

February 4, 2023

De crematie van Shelley

In 1822 verdronk de Engelse dichter Percy Bysshe Shelley op 29-jarige leeftijd in de Ligurische Zee, niet ver van de Italiaanse havenplaats La Spezia. De Italiaanse quarantaineregels schreven toentertijd voor dat verdronkenen verbrand dienden te worden. De crematie van Shelley vond op het strand van Viareggio plaats en werd jaren later door zijn vriend Edward John Trelawny, die bij de plechtigheid aanwezig was geweest, in Recollections of the Last Days of Shelley and Byron te boek gesteld. Uit Trelawny’s beschrijving maak ik op dat Shelley’s lijk in een metalen bak werd gelegd, een provisorische oven, die vervolgens op een houtstapel werd geplaatst, waarna aanwezigen wijn, olie en zout als plengoffers over het lichaam uitgoten en de boel in de fik werd gestoken.

De Amerikaanse dichter Kevin Opstedal gebruikte enkele zinnen uit de tekst van Trelawny voor een readymade, die op zijn zachtst gezegd een aanschouwelijk beeld van Shelley’s crematie geeft. Het gedicht is opgenomen in Opstedals bundel Pacific Standard Time: New & Selected Poems, dat in 2016 bij Ugly Duckling Presse verscheen.

DE CREMATIE VAN SHELLEY
naar Trelawny

Er werd meer wijn over
Shelley’s lijk uitgegoten
dan hij tijdens zijn leven
gedronken had. Dit
samen met de olie & het zout deed
de gele vlammen flikkeren
& knisperen.

Het lichaam viel uiteen
& het hart kwam bloot te liggen.

Het voorhoofdsbeen
brak van de schedel af
en omdat het achterhoofd
op de achterste roodgloeiende staven
van de oven rustte kookten,
pruttelden en borrelden de
hersenen letterlijk
als in een ketel,
voor zeer lange tijd.

///

In 1889 vervaardigde de Franse schilder Louis Édouard Fournier nog een olieverfschilderij van Shelley’s crematie, dat niet is gebaseerd op Trelawny’s verslag, maar de gebeurtenis in hoge mate dramatiseert.

 •  0 comments  •  flag
Share on Twitter
Published on February 04, 2023 10:32

January 27, 2023

Zeg het maar

In het gedicht ‘The Sad Thing’, dat is opgenomen in de bundel Breezeway (2015), heeft John Ashbery het niet over een, maar de bedroevende toestand waarin iets of iemand verkeert. In de drie korte strofes die op de titel volgen worden de droefheid wekkende omstandigheden uit de doeken gedaan:

DE BEDROEVENDE TOESTAND

Hij heeft een luie vader in Minnesota.

Ik hoop dat jij dit nooit hoeft te doen in het leven, met zijn gekke kleine verduisterde kamertjes. Mensen staan, een puur allegaartje. Famille rose zo blij als een kind.

En als het water raar smaakt, moet zij behoorlijk jong zijn. Dat kwam van een boom.

*

Nou ja, uit de doeken gedaan? De informatie die wordt gedeeld is zó schamel dat je geen snars van de situatie begrijpt. Wat is hier aan de hand?

Niet te missen is het grote aantal personages dat ten tonele verschijnt: een hij, een vader, een ik, een jij, een drom mensen, een roze familie en een zij. Maar van enige uitwerking is geen sprake, we vangen een glimp van ze op, meer niet. Overigens is ‘famille rose’ óók de benaming van een soort Chinees porselein dat in de 18e eeuw in zwang kwam.

Het gedicht is opgebouwd uit slechts zes zinnen, en elke zin beschrijft een omstandigheid die op zichzelf lijkt te staan, niet of nauwelijks verband heeft met de rest. Bij een herlezing kreeg ik even het idee dat ik naar een teaser van een film zat te kijken, waarin veel aandacht wordt geschonken aan de line-up en maar weinig aan het verhaal.

En dan nog iets. Ik kan met de beste wil van de wereld niets bedroevends aan de beschreven omstandigheden ontdekken. Welk spelletje speelt Ashbery, een boom van een kerel trouwens, met ons? Speelt hij wel een spelletje?

Allee, het is een hermetisch vers, waarin de dichter ons telkens meeneemt naar weer een ander gek klein verduisterd kamertje van het leven, waarvan we meer níet dan wel zien en dat ons steeds weer opzadelt met legio vragen. Het leven: je kent het en je kent het niet.

De zinsnede ‘Ik hoop dat jij dit nooit hoeft te doen in het leven’ blijft me bezighouden, waarbij ik me voorstel dat ‘ik’ de dichter is en ‘dit’ het schrijven van poëzie. Viel dichten Ashbery zwaar? Of zijn roem? Of beide? Of de onmogelijkheid van het ideale gedicht? Is dát dan de bedroevende toestand? Zeg het maar.

THE SAD THING

He has a lazy father in Minnesota.

I hope you never have to do this in life, with its crazy little darkened rooms. People are standing, an accurate jumble. Famille rose happy campers.

And if the water tastes funny, she must be pretty young. That came from a tree.

*
 •  0 comments  •  flag
Share on Twitter
Published on January 27, 2023 11:02

January 24, 2023

Oogstrelende totaliteit

In Lijfsbehoud verzamelde Peter van Lier twaalf van zijn beeldgedichten, geïnspireerd op twaalf beeldende kunstwerken van vier kunstenaars. Hoewel al een zeer oud genre, worden beeldgedichten ook in de 21e eeuw maar mondjesmaat voortgebracht.

Een beeldgedicht is een gedicht, geïnspireerd op een beeldend kunstwerk. Joost van den Vondel schreef ze al. Beeldgedichten kunnen beschrijvend, verklarend, bespiegelend of meditatief van aard zijn, maar staan altijd in een gespannen verhouding tot het beeldend kunstwerk, waaruit ze in zekere zin zijn voortgekomen. De ene kunst meet zich met de andere.

Van Lier koos voor houtsnedes van B.C. Epker, tekeningen van André de Jong en schilderijen van Machteld van Buren en Arjan van Es. Met Van Buren werkte Van Lier al eerder samen, wat resulteerde in de bundels Bodemsanering en Wisseling van de wacht. Alle vier kunstenaars wonen en werken, evenals Van Lier, in het noorden van Nederland.

De kern van elk beeldgedicht wordt gevormd door een afbeelding van het betreffende beeldend kunstwerk, waaromheen Van Lier zijn verzen heeft geplaatst, als een omhulsel. De woorden sluiten zo hun oorsprong in, kunnen er niet meer van worden gescheiden. Beeld en tekst vormen één lichaam, zijn een oogstrelende totaliteit.

Van Liers gedichten zijn niet beschrijvend of verklarend van aard, maar bespiegelend, contemplatief. De beeldende kunstwerken variëren van figuratief tot abstract, wat geen invloed heeft gehad op de toon van de gedichten; die is en blijft, als gelaatsuitdrukking van Van Liers geest, alert, aandachtig. De dichter heeft, vermoed ik, de beeldende kunstwerken geleidelijk op zich laten inwerken, stapsgewijs. Niets is hem daarbij ontgaan, elk beeldend detail heeft hij opgezogen, geabsorbeerd, waarna woorden opborrelden, waaruit hij zijn overwegingen samenstelde.

Het resultaat van dit alles is dat ik me tijdens het lezen van de beeldgedichten heen en weer bewoog tussen tekst en beeld. De tekst dwingt je om je in het beeld te verdiepen, waarna de verdiepingsslag je weer een terugkeer naar de tekst opdringt. En telkens ontdek je weer wat nieuws.

In een eerdere beschouwing van Van Liers werk noemde ik zijn poëzie instabiel, waarmee ik uitdrukking wilde geven aan de rijkheid van betekenissen, die zijn gedichten kenmerkt. Aan eenduidigheid heeft Van Lier een broertje dood. Zijn meerduidige teksten laten je ruimte om met je eigen gevoel betekenis te geven aan wat je leest.

Een van de vragen die zich bij het lezen van Lijfsbehoud aan mij opdrong, was die naar het belang van kijken voor Van Lier. In zijn oeuvre lijkt hij zijn denken steeds sterker te baseren op wat hij ontwaart, ziet. Treffend in dit verband vind ik het gedicht ‘Aan u’, waarin ‘zicht zich tegen het vermaledijde murmelen keert’. Deze kwestie, die in deze tijd van post-truth politics en factchecking niet alleen een persoonlijk maar ook een actueel karakter heeft, is een afzonderlijk essay waard.

Tot slot wil ik de aandacht vestigen op de titel van de bundel, die op de voorkaft in witte letters is afgedrukt op een zwart kruis. Van Dale geeft twee betekenissen van het woord ‘lijfsbehoud’: (1) het behouden, redden van het leven; (2) het zich handhaven in een klasse, het niet degraderen. Naar de tweede betekenis wordt meestal in de context van sportbeoefening verwezen.

In religieuze zin symboliseert het kruis het lijden, de verzoening en de verlossing van de gelovige mens. Het eeuwig leven als lijfsbehoud. Een mooie gedachte over een omstandigheid waarvan de werkelijkheid niet vaststaat. Nee, de uitleg die mij het meest aanspreekt is die van een compromisloze dichter, die de heersende mode niet ter wille wil zijn en deze bundel moest maken, uit lijfsbehoud. Peter van Lier vervaardigde, in samenwerking met de vier beeldende kunstenaars, een puntgave eigenzinnige bundel.

Deze recensie verscheen eerder in Poëziekrant #1, 2023.

 •  0 comments  •  flag
Share on Twitter
Published on January 24, 2023 23:08

January 22, 2023

Transparantie en de staat van de poëzie

Het idee is: dat een enquête onder toonaangevende dichters een ‘canoniserende berg antwoorden’ oplevert waaruit een staat van de Nederlandstalige poëzie kan worden opgemaakt. De uitwerking ervan tot een bevredigend resultaat is onder meer afhankelijk van de representativiteit van de enquête en de kundigheid van de opmaker(s).

Onlangs werd deze enquête in opdracht van de tijdschriften Awater en Poëziekrant afgenomen en geanalyseerd. Wat me direct opviel was de lijst met dertig toonaangevende dichters en de elfde vraag. Over beide, de lijst en de vraag, wil ik het in dit bericht hebben.

Hoewel ik mijn kennis van het poëzieveld bovengemiddeld acht, deden zeven van de dertig ‘toonaangevende’ dichters geen belletje bij me rinkelen: wie? Liep ik achter of was hier sprake van een ruime interpretatie van het begrip ‘toonaangevend’?

Toonaangevend = ‘op een bepaald gebied tot voorbeeld strekkend, model staan’.

Zeven van de dertig is bijna 25%.

Gek, dacht ik, misschien was toonaangevend als keuzecriterium minder belangrijk geweest dan diversiteit, want dát de geënquêteerden een gemêleerd gezelschap vormen, is wel zeker. Maar waarom zou je de lezer geen heldere uitleg over het keuzeproces verschaffen? Omdat ‘toonaangevend’ het ‘canoniserende’ karakter van het resultaat moet rechtvaardigen, omdat canoniserende resultaten goed zijn voor de renommee van vakbladen als Awater en Poëziekrant.

Op dit punt aanbeland is het relevant om aan te geven dat deze enquête een herhaling is van een enquête die veertig jaar geleden werd afgenomen. Ten opzichte van de oude enquête werden vrijwel alle vragen aan ‘de wereld van nu’ aangepast en werd de groep geënquêteerden vergroot en gediversifieerd. Met het oog op representativiteit en de veranderde samenstelling van de Nederlandse en Vlaamse bevolking lijkt me dat een goede zaak. Aan de andere kant bespeur ik een spanningsveld tussen de eis van toonaangevendheid en van diversiteit.

Waar niks mis mee is. Waar wél iets mis mee is, is niet transparant zijn over uitgangspunten en procesgang, óók als dit betekent dat de berg antwoorden níet canoniserend is en er dus géén degelijke staat van de Nederlandstalige poëzie kan worden opgemaakt.

Enfin. Vraag elf: ‘Welke dichter beschouwt u als de belangrijkste, voor uzelf of de poëzie in het algemeen?’ Ik ben altijd benieuwd naar de inspiratiebronnen van anderen. De antwoorden heb ik op een rij gezet.

Acht dichters noemen om uiteenlopende redenen geen of iedereen als inspiratiebron. Uit de overige tweeëntwintig antwoorden diepte ik vierenveertig dichters op die als belangrijk worden bestempeld, onder wie veertien vrouwen en dertig mannen, overwegend wit en dood. Twee dichters worden tweemaal genoemd, Wysława Szymborska en Arthur Rimbaud, één dichter driemaal, T.S. Eliot, twee dichters viermaal, Anne Carson en Paul Celan, en ééntje vijfmaal, good old Paul van Ostaijen. Verrassend? Nee. Vooral behoudend.

PS In een snerpend commentaar hekelt Frank Keizer het ontbreken van ‘de belangrijkste figuur van de eenentwintigste-eeuw’ voor de Nederlandse poëzie, Jeroen Mettes, in het overzichtsstuk van Rob Schouten. ‘Zonder [Mettes],’ claimt Keizer, ‘zou de Nederlandse poëzie er anders hebben uitgezien; dat lijkt me eerlijk gezegd nauwelijks betwistbaar, wat niet wil zeggen dat alle lijnen op hem teruggaan, natuurlijk.’ Maar, stel ik daar dan tegenover, door de dertig toonaangevende geënquêteerde dichters wordt Mettes niet eenmaal als inspiratiebron aangewezen.

 •  0 comments  •  flag
Share on Twitter
Published on January 22, 2023 00:16

January 18, 2023

Het actuele debat over politieke poëzie

De vraag trok mijn aandacht, de zin die erna komt wekte argwaan:

‘Wat is de relatie tussen hedendaagse poëzie en politiek? De Reactor biedt twee perspectieven op deze vraag.’

Dat er een relatie ís tussen poëzie en politiek onderkende Plato al, die alle dichters het liefst in ballingschap zond, maar naar de precieze betrekking waarin poëzie en politiek tot elkaar staan kunnen niet genoeg onderzoekingen worden gedaan.

Helaas reikt De Reactor geen antwoorden, maar perspectieven op de vraag aan. Huh? Na lezing van de twee essays die volgen, weet ik dat niet de vraagstelling tegen het licht is gehouden, maar wel degelijk betrekkingen tussen poëzie en politiek in ogenschouw zijn genomen. Wat niet wil zeggen dat ik er veel nieuws over te weten ben gekomen. Daarom bleef ik vooral stilstaan bij het hoe en waarom van dit hele gebeuren.

Omdat de aanleiding van de vraag naar de relatie tussen hedendaagse poëzie en politiek kennelijk de moeite van het vermelden niet waard is, kan ik er slechts naar gissen. Laurens Ham maakt in zijn essay – ‘Over de economie en politiek van de hedendaagse poëzie’ – gewag van ‘het actuele debat over politieke poëzie’ en gelooft ‘dat veel van de politiekere dichters van vandaag een vanzelfsprekender plaats in de literaire discussie innemen dan enkele decennia het geval is geweest’. Hij gaat jammer genoeg niet nader in op deze twee zaken.

Ik ben, net als Ham trouwens, van mening dat geëngageerdheid nooit uit de poëzie is verdwenen. Stellingname in gedichten over actuele problemen is van alle tijden, geëngageerde dichters zijn er altijd geweest. Blijkbaar is hun deelname aan het literaire debat tegenwoordig evidenter dan voorheen. Mogelijk gaf dit aanleiding voor De Reactor om twee specialisten te vragen om een uiteenzetting op schrift over de relatie tussen hedendaagse poëzie en politiek.

Ook vraag ik me af of ‘politieke poëzie’ in het actuele literaire debat synoniem is met geëngageerde poëzie (de term die ik als oudere poëzieliefhebber gewend ben te gebruiken) en ‘politiekere dichters’ met meer geëngageerde dichters. Ik denk van wel. Waarom dan die verschuiving in terminologie?

Ook veelzeggend vind ik het kleine aantal hedendaagse Nederlandstalige dichters dat beide specialisten in de context van poëzie en politiek opvoeren: Çağlar Köseoğlu, Dean Bowen, Frank Keizer, Hannah van Binsbergen, Radna Fabias en Dominique De Groen. Zes in totaal. Op hoeveel dichters? Hoe relevant ís dit thema nu helemaal?

Ook beide specialisten hebben moeite om inhoud aan de relatie tussen hedendaagse poëzie en politiek te geven. Bram Ieven komt in zijn essay niet verder dan een jubelende maar chaotische bespreking van de bundel Nasleep van Köseoğlu. Op Ievens verhandeling had meer redactie gevoerd moeten worden. Ham heeft een beter beeld van het poëzieveld, maar beperkt zich tot enkele besprekingen van geëngageerde bundels, zonder tot een uitvoerige analyse over te gaan. Door een economische dimensie toe te voegen weet hij nog wel een aardige draai aan zijn stuk te geven.

Gemiste kans of niet?

 •  0 comments  •  flag
Share on Twitter
Published on January 18, 2023 10:15

January 15, 2023

Minuscule gedichten

Awakened
by the ticking

not the alarm.

Op poëticaal niveau beschrijft Joseph Massey hier het motortje van dit minuscule gedicht: het wordt niet door opschudding maar ritme tot leven gebracht. Uiteraard kun je je ook afvragen waarom iemand nog voor het afgaan van de wekker wakker wordt. Maar in beide gevallen hoor ik getik – tik-tik-tik, dat nadrukkelijk aan een vorm van existeren gekoppeld is.

Het is het veelzeggende openingsgedicht uit Massey’s debuutbundel Minima St., een chapbook dat hij in 2002 zelf uitbracht in een oplage van vijftig stuks. Later zou het ook nog als e-boek verschijnen. In de hoop te worden opgemerkt, stuurde Massey zowel Rae Armantrout als Ron Silliman een exemplaar toe en trof doel: Armantrout had zich in een schrijven aan Silliman positief uitgelaten over de bundel en Silliman wijdde er vervolgens een blogbericht aan. Een ideale start voor een jonge dichter.

Toch zou het nog tot 2009 duren eer zijn eerste full-length bundel, Areas of Fog, zou worden uitgegeven. Maar daarna ging het snel; zijn vierde en laatste bundel tot nu toe, Illocality (2015), werd al door The New York Times besproken.

television light
lies on the
American lawn

Dit is minimale poëzie, dat volgens The Princeton Encyclopedia of Poetry and Poetics een bewuste reductie van woorden is die, onder spanning geplaatst, moet leiden tot ‘poëtische authenticiteit’ – ofwel, zoals William Carlos Williams al zei: ‘no ideas but in things’. Massey plaatst zich hiermee in een lange traditie, waarin o.a. werk van de volgende Amerikaanse dichters staat: WCW, Louis Zukofsky, George Oppen, David Ignatow, Gary Snyder, James Laughlin, Clark Coolidge, Aram Saroyan en Robert Lax. Maar ook in Europa kennen we minimalisten: Francis Ponge, Ernst Jandl, Tom Raworth, Bob Cobbing, Ian Hamilton Finlay en onze eigen Jürgen Smit, om er een stuk of wat te noemen.

Voor deze dichters is poëzie vooral ‘een netwerk van fenomenologische percepties en expressieve taal’ dat een individueel bewustzijn laat doorschemeren.

Opvallend vind ik dat Massey zijn chapbook aan Armantrout en Silliman toestuurde, twee dichters die in hun werk eerder op zoek zijn naar esthetische structuren dan naar bewustzijnspatronen. Alsof je in het andere kamp buurten gaat. Maar dat liep dus goed af; Armantrout en Silliman herkenden het grote talent.

SUNDAY

Old news – after a storm –
torn apart between two lawns.

(21-06-2017)

 •  0 comments  •  flag
Share on Twitter
Published on January 15, 2023 06:50

Ongekunsteld

Al na enkele regels trap ik op de rem: ‘het denken dat als een blauwe / ballon in een carrousel voorbijkomt’ – prettig ritme, elegante klanken, puike alliteratie en ongewone beeldspraak. Verrassend, vreemd. Met een waas bedekt, dat wel. Denken dat voorbijkomt. Met tussenpozen. Als een blauwe ballon in een carrousel. Een blauwe ballon?

In het volgende gedicht, dat lijkt te gaan over schrijven als levensbehoefte, wil iemand ‘de pegel en de pekel / in de ijstijd zijn’, wat goed klinkt, maar zich maar moeizaam laat concretiseren. Dan weer stuit ik op beelden die glashelder maar surreëel zijn: ‘Aan een wilg gehangen wacht ik en spuw aarde.’

Ik ben in de wonderlijke wereld van Vicky Francken beland. Met haar debuutbundel Röntgenfotomodel won ze enkele weken terug de Buddingh’-prijs. ‘Een rode draad is het groeien en opgroeien van een jonge vrouw,’ rapporteert de jury, ‘inclusief alle aarzelingen en twijfels die daarmee gepaard gaan.’ In míjn notities staat: ‘Geen gebrek aan jeugdige argeloosheid.’

Halverwege kom ik een titelloos gedicht tegen, waarin je de afzettingen van Franckens associatieve werkwijze goed kunt waarnemen:

Op sommige dagen douche ik
op mijn hoede
als ik een deur open ben ik bedacht
op iemand die geen afstand neemt

die verstand heeft van giftige spinnen
en iets met zich meedraagt

Andere dagen steek ik mijn hand op
schiet ik de kleiduif
uit je hoofdhuid

masseer er een veer in

Dit gedicht is regel voor regel op klanken gebouwd, beeld en betekenis zijn nuttig maar van secundair belang. Hoewel geen klankgedicht in stricte zin, moest ik hier wel aan dat begrip denken. Veel verzen in Röntgenfotomodel zijn lekker leesbaar, maar blijven bij een ondergeschikte rol van de betekenis soms vlak, missen dan diepgang.

Naarmate ik in Franckens bundel vorder, haal ik me steeds vaker schilderijen van Henri Rousseau voor de geest; in hun argeloosheid en onbevangenheid en ook perspectiefvertekening en bonte details lijken hun werken op elkaar, zijn hun gedichten en doeken naïef in de goede zin van het woord: ongekunsteld.

sta je zondagmorgen voor je ribbenkast
en geen geluid

wilde dieren zijn de stilste dieren

en er ligt een kelder in de kamer

en er staat een ladder te blinken
in het licht

(17-06-2017)

 •  0 comments  •  flag
Share on Twitter
Published on January 15, 2023 06:32

Ton van ’t Hof

Ton van 't Hof
Aantekeningen
Follow Ton van 't Hof's blog with rss.