Ton van 't Hof's Blog: Ton van ’t Hof, page 67
October 16, 2020
Herderslied
Na publicatie van zijn eerste dichtbundel in 1934 hield George Oppen op met het schrijven van poëzie. Hij was in die tijd overtuigd marxist en lid van de Amerikaanse Communistische Partij. Hij zag het nut van poëzie niet in voor de zaak waar hij voor stond en wilde ook niet het soort gedichten schrijven – socialistisch realistisch – waar de Partij om vroeg.
Maar vijfentwintig jaar later hervond Oppen, die intussen de Communistische Partij had verlaten, zijn vertrouwen in de poëzie en begon weer met het schrijven van gedichten. Het was hem ditmaal vooral te doen om een verkenning van de mogelijkheden van poëtische taal en niet zozeer om het opbouwen van een oeuvre. Hij had zijn zinnen gezet op het deconstrueren van sleetse discoursen en het onder woorden brengen van waarheid.
In 1962 publiceerde Oppen zijn tweede bundel, The Materials, die opent met het gedicht ‘Eclogue’, waarin mens tegenover natuur wordt gezet.
HERDERSLIED
De pratende mannen
In het midden van de kamer. Ze hebben meer gezegd
Dan ze van plan waren.
Pinpointend in het rumoer
Van de woonkamer
Een aanval
Op het rustige continent.
Achter het raam
Vlees en rots en honger
Losjes in de nachtelijke lucht
Verhard in de aarde
Uit zichzelf weer naar de zon draaiend, kleine
Vegetatieve bladeren
En stengels buiten
Plaatsgrijpend – O kleintjes,
Om geboren te zijn!
Gewoonlijk wordt in herdersliederen het landleven bezongen, dat zorgeloos zou zijn en onbedorven. Maar Oppen doorkruist de idylle door harde realiteit te schetsen: mensen hebben zich achter glas verschanst voor de natuur, die zij in hun exploitatiedrang zullen blijven attaqueren. En uit de typering ‘vlees en rots en honger’ kan worden afgeleid dat ook de natuur niet een en al lieflijkheid is. Toch schaart Oppen zich aan de zijde van Moeder Natuur, die hem in al haar variatie, noodzakelijkheid en eigenzinnigheid blijft verbazen. De toegezwaaide lof in de laatste strofe doet wél denken aan een herderslied. Wat een terugkeer naar de poëzie!
• Oppen, G. (2002). . New Directions.
[image error]George Oppen, ca. 1960
October 14, 2020
Telescoop
Totaal opgaan in een bezigheid is iets wat we allemaal uit eigen ervaring kennen. We hebben er dan ook woorden voor. Wie heeft zichzelf nog nooit verloren in werk of een hobby? Waarneming en beleving van ruimte en tijd nemen dan een andere aard aan, de afstand tot dat waar je mee bezig bent verkleint zich en je wordt als het ware wat je doet.
In het gedicht ‘Telescope’, uit de bundel (2006), brengt Louise Glück deze ervaring onder woorden.
TELESCOOP
Er is een moment nadat je je oog hebt afgewend
waarin je vergeet waar je bent
omdat je, ogenschijnlijk,
ergens anders was, in de stilte van de nachthemel.
Je bent niet meer hier op de wereld.
Je bent op een andere plek,
een plek waar het menselijk leven geen betekenis heeft.
Je bent geen voortbrengsel in een lichaam.
Je bestaat zoals de sterren bestaan,
deelt in hun stilte, hun onmetelijkheid.
Dan ben je weer terug op aarde,
's nachts, op een kille heuvel,
en haalt de telescoop uit elkaar.
Achteraf realiseer je je
dat niet het beeld vals is
maar de samenhang vals is.
Je ziet weer hoe ver weg
elk ding is van elk ander ding.
Boem. Na de laatste strofe sta je weer met beide benen op de grond. Andere, metaforische lezingen van dit vers zijn: jezelf verliezen in poëzie of een relatie met een ander. In het laatste geval neigt het vers hier en daar – ‘Je bestaat zoals de sterren bestaan’ – naar edelkitsch. Maar ook dan zijn de slotwoorden ongemeen ontnuchterend.
[image error]Louise Glück, ca. 1970
October 12, 2020
Eenzaam
Zo’n dag waarop het weer je binnenhoudt. Smerig weer. Storm. De hele dag de lampen aan. Je probeert te volgen wat er buiten gebeurt, voelt je van God en iedereen verlaten. Louise Glück schreef er een gedicht over, ‘Solitude’, dat is opgenomen in A Village Life (2009).
EENZAAM
Het is erg donker vandaag; vanwege de regen
is de berg niet zichtbaar. Het enige geluid
dat van de regen, die het leven ondergronds drijft.
En met regen komt kou.
Vanavond zal er geen maan of ster zijn.
De wind wakkerde vannacht aan
en teisterde de hele ochtend het koren –
rond het middaguur zwakte hij af. Maar de storm hield aan
en doordrenkte de droge velden, zette ze onder water -
De wereld is verdwenen.
Er valt niets te zien, alleen de regen,
blinkend op de donkere ramen.
Dit is de rustplaats, waar niets beweegt –
Nu keren we terug naar wat we waren,
dieren in duisternis,
zonder taal of inzicht -
Niets bewijst dat ik leef.
Er is alleen regen, de regen is eindeloos.
Een vers over een in zichzelf gekeerde wereld, waarvan Glück knap het meditatieve ritme heeft weten te vangen.
[image error]Louise Glück, ca. 1975
October 10, 2020
Aubade
Bladerend in Louise Glücks Poems 1962-2012, die ik naar aanleiding van de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aanschafte, bekroop me het gevoel een verzamelbundel van een aantal deeltjes uit een boeketreeks vast te houden. Ik las titels als ‘Liefde in maanlicht’ en ‘Hart in vuur en vlam’ en regels als ‘Ik wist wat liefde was, / hoe het de ziel in gevaar brengt’ en ‘Zijn blik raakte me / voordat zijn handen me raakten’. Hoeveel clichés, vroeg ik me af, zou ik kunnen verdragen?
Maar nu, een verdiepingsslag later, weet ik: het valt mee. Hoewel boeketreekstaal niet wordt geschuwd, weet Glück toch dikwijls te ontsnappen aan het sentimentele en banale. Haar poëzie aanbidt het leven in velerlei toonaarden, is devoot zonder echt religieus te zijn. Naast verwondering en lof wordt de lezer ook geconfronteerd met pijnlijke ervaringen, schuld, onvervuld verlangen, vervreemding en twijfel. En kijken kan ze ook goed, ijselijk goed.
AUBADE
Er was één zomer
die vaak terugkeerde
er was één bloem die zich opende
en veel vormen aannam
Karmijnrood van de monarda, geelgoud van late rozen
Er was één liefde
Er was één liefde, er waren veel nachten
Geur van de boerenjasmijn
Stroken echte jasmijn en lelies
Toch blies de wind
Er waren veel winters, maar ik sloot mijn ogen
De koude lucht wit met verdwenen vleugels
Er was één tuin toen de sneeuw smolt
Hemelsblauw en wit; ik kon mijn eenzaamheid
niet van liefde onderscheiden -
Er was één liefde; hij had veel gezichten
Er was één dageraad; soms
keken we er samen naar
Ik was hier
Ik was hier
Er was één zomer die keer op keer terugkeerde
er was één dageraad
al kijkend werd ik ouder
[image error]Louise Glück, ca. 1960
October 7, 2020
Nee tante Vé
In Kunnen ernstige volkeren verzuidelijkt worden? (2019) is Poppe Laars weliswaar talig aan de zwier, maar zijn zijn verzen te vaak weinig meer dan ledig vermaak. Dat het hem niet zozeer om de inhoud te doen is, wordt ook al in de bundeltitel uitgedrukt. Deze poëzie bevindt zich op het raakvlak van slam, nonsenspoëzie en light verse, en wordt gekenmerkt door een overdaad aan neologismen. Niet echt iets voor mij. Ik ben een ernstiger mens, die maar moeilijk verzuidelijkt kan worden.
Maar als Laars zijn spielerei opzij weet te zetten en wat verernstigt, dan staat er een dichter op die meer in zijn mars heeft en me met zijn verzen weet te bekoren.
NEE TANTE VÉ,
missen is meer
dan afgesneden zijn,
meer dan huilend uiteen vallen
in niet meer passende delen,
meer dan het onophoudelijk schrijnen
van de weke delen,
meer dan een weggewaaide stem
die nooit meer langs je oren dwarrelt.
Missen is dansen,
ja dansen,
een misselijkmakende tango
met de zwarte vrijheid.
Het beeld van iemand in het zwart die alleen een tango danst, blijft lang bij me hangen.
[image error]
October 5, 2020
T-gedichten van Dautzenberg en Aasprong
Je zult maar op het idee komen en elke letter van een tekst vervangen door de letter t. Dan ben je niet helemaal goed snik, of een dichter. Beide kan uiteraard ook. Schrijver-dichter Anton Dautzenberg kwam op dit idee, valt in een onderhoudend stuk op ooteoote.nl te lezen, en verving alle letters van een zootje bestaande gedichten door de hoofdletter T. Vervolgens vroeg Dautzenberg aan een aantal kunstenaars om nieuw werk te maken, geïnspireerd op zo’n T-gedicht.
Grappig, dacht ik, en experimenteel. Bovendien ken ik nog een t-gedicht, van de Noorse schrijver-dichter Monica Aasprong. Het maakt deel uit van het project Soldatmarkedet, waar ze van 2003-2007 aan werkte. Een fragment van het gedicht (zie foto) is opgenomen in de bloemlezing Against Expression: An Anthology of Conceptual Poetry (2011).
Aasprong verwijderde uit romans die ze had geschreven alle letters op eentje na en genereerde vervolgens met behulp van een tekstverwerker zestienduizend herordeningen. Uit de herordeningen die slechts de kleine letter t bevatten stelde ze in 2003 een boekje samen, getiteld Soldatmarkedet, dat uiteindelijk onderdeel zou worden van het grotere project met dezelfde naam.
‘Soldatmarkedet’ verwijst naar een plein in Berlijn, Gendarmenmarkt, waar oorspronkelijk paardenstallen aan lagen van het Duitse leger. In Aasprongs tekst zou je een reflectie op deze historie kunnen lezen. Ze geeft zelf geen verdere uitleg.
De gedichten van Dautzenberg en Aasprong kunnen tot de conceptuele poëzie worden gerekend: ‘Een tekst wordt conceptueel genoemd wanneer het concept dat eraan ten grondslag ligt belangrijker is dan de concretisering ervan.’ Heerlijk, toch?
[image error]
October 4, 2020
Koersstijging
John Ashbery. Ik kan me suf peinzen over gedichten van John Ashbery. Zeker geen onaangename bezigheid, integendeel. Veel van zijn gedichten lijken iets essentieels uit te drukken, wat me telkens weer als water door de vingers glipt. Uit zijn bundel Planisphere (2009):
KOERSSTIJGING
We zaten daar en
ik maakte een grapje over hoe
de boel niet goed aansluit: tijd,
een minuut die sneller
verloopt dan zijn voorganger,
hem inhaalt.
Op die manier, zei ik,
gaat er niets verloren.
Verlies wordt praktisch geëlimineerd.
Om voor een paar uur terug te keren tot
het onderwerp in kwestie, een schilderij,
eruitziend alsof het was gezien,
half omgedraaid, enigszins ongerust,
maar het moet letten op
wat er in het vooruitzicht staat: een zienswijze.
Daarom lost poëzie op in
glinsterende nattigheid en leest ons
voor ons.
Een vaag idee. Te veel woorden,
maar waardevol.
Als kind krijg je al mee dat je je tijd nuttig moet besteden, niet moet verdoen. Tijd is kostbaar, tijd vliegt! Maar dat we niet zouden mogen lummelen leggen we onszelf op, wordt ons niet door de wet voorgeschreven. Het is een zienswijze, opvatting waar we, meestal, naar handelen.
Zienswijzen worden doorgaans a posteriori gevormd, achteraf. We vinden iets van een schilderij nadat we het hebben gezien, of van een gedicht nadat we het hebben gelezen.
Maar poëzie is, voor Ashbery, geen zienswijze, van de dichter of wie dan ook. Poëzie laat ons iets opmaken uit onszelf, over onszelf, wat niet scherp omlijnd is maar wel een grote waarde heeft, meer dan voldoende om je je ermee bezig te houden.
En zo peins ik verder. Wat als er in de kern niets wordt aangetroffen of uitsluitend een platitude?
[image error]John Ashbery, 1995
October 1, 2020
Metonymia
Sommigen vinden er niets aan, maar ik wel: gedichten waarbij je je hersens moet gebruiken. Joe Wenderoth schreef er eentje, die is opgenomen in If I Don’t Breathe How Do I Sleep (2014):
METONYMIA
wat beweegt
dit gedicht
Een gedicht over poëzie. Ik hou van gedichten over poëzie. Geen idee waarom, dat is nu eenmaal zo.
Metonymia is een stijlfiguur ‘waarbij in plaats van het bedoelde iets anders genoemd wordt, op grond van een bepaalde betrekking die tussen beide bestaat’. Bijvoorbeeld: ‘Heineken’ zeggen in plaats van ‘bier’. Een lichte betekenisverschuiving valt daarbij zelden te vermijden.
Omdat ‘bewegen’ nogal wat betekenissen heeft – verroeren, ontroeren, aandrijven – en interpunctie ontbreekt, laat dit vers meerdere lezingen toe. Probeer maar. Wel duikt onvermijdelijk de vraag op: welk bedoelde wordt hier iets anders genoemd?
Wenderoth heeft tegen mijn denkraam getikt en me uitgedaagd tot een herschikking van mijn denkpatronen. Dat is de verdienste van dit gedicht.
‘Metonymia’ in plaats van ‘poëzie’?
Welke betrekking bestaat er tussen beide?
[image error]
September 29, 2020
Ik merk dat ik alles vergeet
In 1984 overleed George Oppen op 76-jarige leeftijd aan de gevolgen van alzheimer. Zijn laatste bundel was in 1978 verschenen. Hij liet tientallen ongepubliceerde gedichten na, al dan niet voltooid. Boven zijn bureau hingen kladjes met invallen en aanzetten tot verzen.
Eén van Oppens kladjes verwijst direct naar de ziekte van Alzheimer, die zich o.a. kenmerkt door geheugenverlies, spraak- en taalproblemen en desoriëntatie.
Ik merk dat ik alles vergeet
waarover gesproken wordt
en de getallen (bv.
hoe je ze vormt
--------------------
ook de getallen
Oppen was een nadenkend mens, zijn hersens zijn belangrijkste wapen. Het vooruitzicht van de verdere aftakeling van zijn verstandelijke vermogens moet hem angst hebben ingeboezemd, veel verdriet hebben bezorgd, dat in de afsluitende regel doorklinkt in het woordje ‘ook’. Hetzelfde verdriet dat ik in de ogen van mijn eigen moeder heb zien staan.
[image error]George Oppen, ca. 1970
September 27, 2020
Ode aan alle minor poets
Tot mijn verbazing stuitte ik enkele dagen geleden in mijn digitale Van Dale Groot woordenboek Nederlands op het lemma ‘minor poet’. Ik had niet verwacht dat deze uitdrukking (al) toebehoort aan het Nederlands.
Van Dale omschrijft de minor poet als volgt: ‘minder belangrijke dichter met een bescheiden scheppingsdrang en vaak een aan de persoonlijke ervaringswereld ontleende thematiek’.
Huh? Ik beschouw mezelf als een minor poet, als een dichter met een beperkt lezerspubliek en kleinere oplages, maar bezit evenzogoed grote scheppingsdrang en put bij het dichten slechts sporadisch uit eigen ervaringen.
Mijn woordenboek Engels omschrijft ‘minor poet’ enkel en alleen als ‘minder belangrijke dichter’, wat beter aansluit bij mijn belevingswereld.
Deze week duikelde ik, in een hoekje, ook nog een titelloos gedicht van mijn hand op, dat nog geen onderdak in een bundel heeft gevonden. Naar aanleiding van het bovenstaande diende zich bovendien een titel aan:
ODE AAN ALLE MINOR POETS
Als je geen lezers hebt
roep je er eentje in het leven
met nat haar en een regenjas aan
in een verder lege winkel
gebogen over een stapeltje ramsj
waarop jouw bundel
zachtjes wordt teruggelegd.
[image error]


