Zondagskind Quotes

Rate this book
Clear rating
Zondagskind Zondagskind by Judith Visser
5,418 ratings, 4.34 average rating, 610 reviews
Zondagskind Quotes Showing 1-15 of 15
“Als je beseft dat iets niet het juiste pad voor je is, dan is het tijdverspilling om er toch domweg op te blijven lopen.”
Judith Visser, Zondagskind
“Steeds weer keek ik vanuit het klaslokaal naar buiten, naar de vrijheid van de vogels in de boom op het schoolplein. Als kind moest je van kooitje naar kooitje, gekortwiekt door regels en leerplicht en ‘zo hoort het nu eenmaal’.

Ooit zou ik daarboven uitstijgen, nam ik me voor.

Ooit zou ik vliegen.”
Judith Visser, Zondagskind
“Zou het je geen rust brengen om een diagnose te krijgen? Om te begrijpen waarom je bent zoals je bent?’
‘Weet ik niet.’ In gedachten hoorde ik mijn moeders stem. Zo is ze nu eenmaal.
Kirsten roerde door haar thee. ‘Nou, ík weet het wel. Ik weet dat jij het fijn vindt als dingen logisch zijn. Als ze kloppen. Ik denk dat het handig is als er straks een officiële verklaring is voor bepaalde zaken waar jij moeite mee hebt, waar je steeds opnieuw tegen aanloopt.’ Toen ik niets zei, voegde ze eraan toe: ‘Dat is alles. Het verandert verder niets. Maar ik denk echt dat zo’n bevestiging je goed zal doen. Dat het een antwoord kan zijn op heel veel persoonlijke waaroms.’
Daar had ze me.
Ik keek haar aan. Herhaalde haar woorden in mijn hoofd.
Toen voelde ik dat ik langzaam knikte.
Misschien was het, na een leven vol waaroms, eindelijk tijd voor een dáárom.”
Judith Visser, Zondagskind
“Misschien was er een heel duidelijke reden waarom ik zo’n gedetailleerd geheugen had, waarom ik altijd alles zo intens ervaar, waarom ik me zo eenvoudig een alternatieve realiteit kon voorstellen. Misschien was ik geboren om andere universums tot leven te brengen. Op papier.”
Judith Visser, Zondagskind
“Terwijl hij had verteld, was ik erin geslaagd hem aan te blijven kijken, maar wanneer ik zelf aan het woord was geweest, had ik van hem weggekeken. Luisteren kon ik combineren met oogcontact, praten nog niet.”
Judith Visser, Zondagskind
“Het punt is…’ Ze zuchtte. ‘Ik wéét dat je slim bent. En daarom kan ik het me soms niet voorstellen dat bepaalde dingen bij jou gaan zoals ze gaan. Ik vraag me dan af of je het opzettelijk doet.”
Judith Visser, Zondagskind
“Het was zo druk in mijn hoofd, dat ik steeds minder luisterde wanneer ze wat vertelde. Interesse veinzen in onderwerpen die me niet aanspraken, zou nep zijn. Dat kon ik niet.”
Judith Visser, Zondagskind
“Hier, in de bibliotheek, was niemand stom. Hier gaf ik gewoon antwoord, rechtstreeks in het nu, wanneer een van de mevrouwen vroeg wat ik van een boek vond. Ik kon ze vertellen dat een wolf wel zestig kilometer per uur kon rennen. Praten over een onderwerp dat ik interessant vond, ging vanzelf. Ik vond het zelfs leuk.”
Judith Visser, Zondagskind
“Deze middag was compleet anders verlopen dan hoe ik me had voorgesteld. En wanneer verwachtingen en realiteit met elkaar in botsing kwamen, was de klap te hard, dan scheurde er iets in mijn hersenen. Ik moest zélf kunnen bepalen hoe dingen gebeurden en wanneer ze veranderden, zodat ik wist waar ik aan toe was.”
Judith Visser, Zondagskind
“Kind, wat kijk je toch altijd intens,’ had tante Teun een keer gezegd. ‘Alsof je me probeert te hypnotiseren met die donkere ogen van je.”
Judith Visser, Zondagskind
“Tegenwoordig luisterde ik ‘s avonds als het licht uitging naar sprookjes. Ik had drie bandjes met verhalen voor mijn verjaardag gekregen, en ik kende ze intussen allemaal uit mijn hoofd. Het was fijn om precies te weten wat er ging gebeuren en wat iedereen ging zeggen.”
Judith Visser, Zondagskind
“Iedereen had er een mening over, alleen maar omdat deze man besloten had zijn aardse bestaan in te ruilen voor het hiernamaals. Uiteindelijk gingen we allemaal dood, maar zelf beslissen wanneer dat moest gebeuren was blijkbaar laf. Vanaf onze geboorte werden we opgezadeld met de plicht net zo lang te blijven leven tot het lot of God of een andere hogere macht besloot dat het welletjes was geweest. Alsof we zelf helemaal niets in te beneden hadden, terwijl God elk mens een vrije wil had gegeven. Waarom mocht je dan niet zelf beslissen wat je met die vrije wil deed? Waarom mocht iemand niet zelf zijn eigen god zijn?”
Judith Visser, Zondagskind
“Het was alsof mijn maag voortdurend om eten riep. Ik had het nodig, de hele dag door, anders liepen mijn hersenen leeg als een lekke fietsband.”
Judith Visser, Zondagskind
“Wat had het dan voor zin om bij een groepje te gaan staan en mee te doen? Wat was het nut van doen alsof je geïnteresseerd was? Als je deed alsof je belangstelling had in iets terwijl dat niet zo was, dan hield je de ander alleen maar voor de gek. Dan liet je je hersenen een marathon rennen, en voor wat? Niemand schoot er wat mee op. Dan kon je beter gewoon je mond houden en in je eigen wereld blijven. Ik gunde iedereen zijn of haar gelijkgestemden, zolang ze maar niet verwachtten dat ik daar ook bij hoorde.

Dat was helemaal niet selectief.

Dat was trouw zijn aan wie je werkelijk was.”
Judith Visser, Zondagskind
“Er was iets in Colettes hoofd gebeurd waardoor zij jongens ineens ontzettend interessant vond. Ik begreep er niets van. Jongens schreeuwden en trapten overal tegenaan, en toch keek Colette tegenwoordig naar Ramon alsof hij de voorkant van een boek was en ze niet kon wachten erin te gaan lezen.
p.108”
Judith Visser, Zondagskind