De zondebok Quotes

Rate this book
Clear rating
De zondebok De zondebok by Paul Lebeau
2 ratings, 3.50 average rating, 0 reviews
De zondebok Quotes Showing 1-6 of 6
“Ik ging in de wereld met de geniepige hoop dat ze mij zou blijven boeien. Ik ben erop blijven kleven als een vlieg op een vliegenvanger. Mijn leden hangen nog vol brij en viezigheid, ik walg van mezelf.”
Paul Lebeau, De zondebok
“Misschien krijg ik weldra de kans om fatsoenlijk uit dit leven te scheiden.
En wat is het geweest? Zelfs mijn meest intense ogenblikken waren doordrongen met het besef, dat het dít nog niet was, dat het grote, definitieve nog moest komen. Steeds heb ik geleefd in het provisorische en verlangend uitgezien naar het einde van die voorbereiding en overgang. En zo zijn vroeger geslachten jong geweest, hebben getracht en uitgezien naar iets dat aan de einder wenkte van ieder jaar, zijn oud geworden in dit streven en gestorven zonder te hebben bereikt. En zo zijn alle, alle mensen.”
Paul Lebeau, De zondebok
“Misschien zijn alle romans wel zondebokken, beladen met de fictieve zonden, die de auteurs niet durfden begaan, getooid met het geluk dat zij niet vonden.”
Paul Lebeau, De zondebok
“Daarom is het alleen in de romans, en dan nog niet in de beste, dat het leven zo mooi af is en alles eindigt met een ontroerend huwelijk of een schone dood. Maar in de werkelijkheid is het soms een aanzet, soms een verwezenlijking en dan nog een lange, doelloze verstarring. Velen vallen bij hun werk, in de opgang van een passie. Maar de meesten zijn al lang dood als ze sterven.”
Paul Lebeau, De zondebok
“Geen belang.”
Paul Lebeau, De zondebok
“Mislukte studenten, die weigerden het werkelijk leven te aanvaarden en zich krampachtig vastklemden aan de clubjool, waar zij een jaar van geproefd hadden en die 's avonds na hun bureeluren weer student waren. Artiesten, die zich elke avond bedwelmden aan de werken, die zij gingen uitvoeren maar die de energie misten om eraan te beginnen. Niet de verwezenlijking hadden zij lief, maar de conceptie. Dat was het voornaamste, zegden zij, en dat steeg hun als een roes naar het hoofd. Ook mislukte echtgenoten, zoals ik. Maar allen mislukte minnaars, die van de liefde slechts de aanzet liefhadden en niet de inzet van de hele mens. En zo waren ook de vrouwen daar, die weigerden oud te worden, op veertig jaar nog gilden en giechelden als jonge meisjes en nog altijd op jacht naar de eerste liefde.
Want de liefde beheerste al hun gedragingen en stemmingen. De liefde? Loop heen ! Het sexuele, maar toen liet ik mij nog vangen aan al de mooie omschrijvingen, waarmee de drift zich vermomt.”
Paul Lebeau, De zondebok