Goodreads helps you follow your favorite authors. Be the first to learn about new releases!
Start by following H.H. ter Balkt.
Showing 1-7 of 7
“Lezer onder je gloeilamp hef je hoofd op: de trekvogels gaan, de uiltjes komen.”
―
―
“Radio
Wind en regen om mij heen.
Landschap uitgehakt in steen.
Modderweg door bomenrij.
Bloedgang in een doodsvallei.
Ik ben in dit verlaten niet
een regelmatig mechaniek.
Het hart wordt in zijn bloedportiek
een vreemd, verwezen lied.”
― In de waterwingebieden: Gedichten 1953-1999
Wind en regen om mij heen.
Landschap uitgehakt in steen.
Modderweg door bomenrij.
Bloedgang in een doodsvallei.
Ik ben in dit verlaten niet
een regelmatig mechaniek.
Het hart wordt in zijn bloedportiek
een vreemd, verwezen lied.”
― In de waterwingebieden: Gedichten 1953-1999
“Achter Glas
buiten mijn ramen
de eenzame heersers
wind en regen
de straten liggen langgerekt
in de nacht
neem je handen voor je mond weg
en laat zien
dat je lacht
om dit alles”
― In de waterwingebieden: Gedichten 1953-1999
buiten mijn ramen
de eenzame heersers
wind en regen
de straten liggen langgerekt
in de nacht
neem je handen voor je mond weg
en laat zien
dat je lacht
om dit alles”
― In de waterwingebieden: Gedichten 1953-1999
“Uitlegging van de bosrand
Nut or twig or tree,
Hazel was decidedly pagan
Er is weinig voor nodig
om een bosrand te zijn.
Zomer en de drie seizoenen
maar het meest wel de herfst.
De zomer is een lopende band.
Maaiers en ruisende
gaan ijlings langs je heen,
en elk blad redt zich;
nog eenvoudiger is de winter
die de verpakking afhaalt
en de lucht grijs omtovert
in een stakingspamflet.
De harde wind van de winter…
Op de lente wachten wij altijd,
wij hazelaars, maar de herfst
is inniger; de wisseling.
Vuur van binnenin brandt
ons op; wij halen nauwelijks
nog adem, om het rode lover
doolt de wind als doktoren.
Wij zijn de bosrand; de grens.
Wij struiken het decor
van de akker, de toneelvloer.
En hoor hoor one tijding:”
― Ode aan de Grote Kiezelwal en andere gedichten (BB poëzie)
Nut or twig or tree,
Hazel was decidedly pagan
Er is weinig voor nodig
om een bosrand te zijn.
Zomer en de drie seizoenen
maar het meest wel de herfst.
De zomer is een lopende band.
Maaiers en ruisende
gaan ijlings langs je heen,
en elk blad redt zich;
nog eenvoudiger is de winter
die de verpakking afhaalt
en de lucht grijs omtovert
in een stakingspamflet.
De harde wind van de winter…
Op de lente wachten wij altijd,
wij hazelaars, maar de herfst
is inniger; de wisseling.
Vuur van binnenin brandt
ons op; wij halen nauwelijks
nog adem, om het rode lover
doolt de wind als doktoren.
Wij zijn de bosrand; de grens.
Wij struiken het decor
van de akker, de toneelvloer.
En hoor hoor one tijding:”
― Ode aan de Grote Kiezelwal en andere gedichten (BB poëzie)
“De Dennen
Dennebossen, scheef als dronkaards
groeien van waaien; lucht; oudheid.
In de grond geplante zwepen,
bukkend onder de tekens des hemels.
Staande of ze nog wachters waren
voor de vervlogen deuren van goden.
Hun denappels de handschriften
van bronzen spraak; gekraakte.
Door lachgas verschrompelde
strottenhoofden van reuzen.
Loop je s'nachts in het dennenbos, krrr
diep onder de dennen is angst de jager;
dennendonker is spottend duister,
hun appels geen sterren, geen lampen.
Luister wat ze zeggen, de 2 bijlen
"tIs zo recht bij de dennen, zo ijlend,
waarheid die van onderen afsterft,
leugens uithangt, dóór groeit naar 't Licht.'
O wandelaar
de tak boven je stookt je oven,
soms leunt aan je gezicht al je kist.
Dennenbossen, er waait geen pluis.
Dennen zijn de kelders van de luchten.
Je hoort ze kreunen en zuchten 'Wij
brengen jou thuis, brengen je thuis.”
― Vuur
Dennebossen, scheef als dronkaards
groeien van waaien; lucht; oudheid.
In de grond geplante zwepen,
bukkend onder de tekens des hemels.
Staande of ze nog wachters waren
voor de vervlogen deuren van goden.
Hun denappels de handschriften
van bronzen spraak; gekraakte.
Door lachgas verschrompelde
strottenhoofden van reuzen.
Loop je s'nachts in het dennenbos, krrr
diep onder de dennen is angst de jager;
dennendonker is spottend duister,
hun appels geen sterren, geen lampen.
Luister wat ze zeggen, de 2 bijlen
"tIs zo recht bij de dennen, zo ijlend,
waarheid die van onderen afsterft,
leugens uithangt, dóór groeit naar 't Licht.'
O wandelaar
de tak boven je stookt je oven,
soms leunt aan je gezicht al je kist.
Dennenbossen, er waait geen pluis.
Dennen zijn de kelders van de luchten.
Je hoort ze kreunen en zuchten 'Wij
brengen jou thuis, brengen je thuis.”
― Vuur
“Vrees
buiten ritselt triest de regen
- de wind huilt cynisch door de nacht
- o lang verzwegen
Noodlot dat mij wacht
starend dwaal ik door de zwarte nacht
dof slaat mijn voetstap door de zwarte straat
- o hart in mij dat nu nog slaat:
- eens komt de nacht
het water van de gracht is zwart
- o vreemd verdriet in 't lege hart-
zwart is het water van de gracht
- dit is de nacht”
―
buiten ritselt triest de regen
- de wind huilt cynisch door de nacht
- o lang verzwegen
Noodlot dat mij wacht
starend dwaal ik door de zwarte nacht
dof slaat mijn voetstap door de zwarte straat
- o hart in mij dat nu nog slaat:
- eens komt de nacht
het water van de gracht is zwart
- o vreemd verdriet in 't lege hart-
zwart is het water van de gracht
- dit is de nacht”
―
“Grote Beuk
Hij is het zwijgen rechtop de hemel in;
de wind, de hitte en regen hieuwen zijn stam
en takken, zijn wortels als houten fonteinen
wellend uit de bronnen. Alle seizoenen
krijgen kwartier, hij is het opgetaste
korte en lange jaar, in de zomer fluistert
nog de witte sneeuwjacht in zijn blad en bronzen
herfst omarmt stormend zijn schors in de meimaand.
Toen de bleke, felle bliksems kwamen die hun
harpoenen plantten in jouw hart en vier takken
woedend versplinterden, sapstromen dempten
die opstijgen wilden na de winter, wachtte,
grote beuk, achter je de kuil (doodkalm kraken
slaapt in het veld) slechts voor jou daar gegraven.”
― Laaglandse Hymnen I-III
Hij is het zwijgen rechtop de hemel in;
de wind, de hitte en regen hieuwen zijn stam
en takken, zijn wortels als houten fonteinen
wellend uit de bronnen. Alle seizoenen
krijgen kwartier, hij is het opgetaste
korte en lange jaar, in de zomer fluistert
nog de witte sneeuwjacht in zijn blad en bronzen
herfst omarmt stormend zijn schors in de meimaand.
Toen de bleke, felle bliksems kwamen die hun
harpoenen plantten in jouw hart en vier takken
woedend versplinterden, sapstromen dempten
die opstijgen wilden na de winter, wachtte,
grote beuk, achter je de kuil (doodkalm kraken
slaapt in het veld) slechts voor jou daar gegraven.”
― Laaglandse Hymnen I-III





