Een vriend gaf mij "De hoofdstad" als verjaardagscadeau. Dat moest, gezien zijn zorgvuldigheid en goede smaak, wel een goed idee zijn. Toch was ik eerst sceptisch, en zou ik het boek zelf mogelijk nooit gekozen hebben: een roman over EU-ambtenaren met een boodschap over het supra- nationale Europa, nou, dat leek mij taai te worden, ondanks dat hij van Robert Menasse was. En ondanks dat dit boek de Deutscher Buchpreis kreeg en in de kritieken zeer werd bejubeld. Maar wat had ik daar ongelijk in, mensen. Want dit boek is echt briljant van stijl en vorm, enorm meeslepend geschreven, ongehoord humoristisch ondanks zijn diepe melancholie. En het heeft nog een ontroerende, idealistische boodschap ook.
Samenvatten van de plot zou doodzonde zijn, en onmogelijk bovendien, want de plot is enorm ingenieus en vol briljante verrassende wendingen. Bovendien heeft het boek niet één plot, maar ruim tien vertakte plotlijnen, die allemaal draaien om geheel verschillende personages die elkaar vaak niet eens kennen. Elke plotlijn is spannend en vernuftig, en hoe Menasse al die plotlijnen met elkaar verknoopt is echt wonderbaarlijk. Een van de personages (of is het de naamloze verteller?) merkt ergens ironisch op dat het leven eigenlijk alleen confetti is, en dat alleen algoritmes en schrijverstrucs die confetti kunnen laten lijken op een mozaïek. Wat ik lees als: het leven is pure onsamenhangende chaos, pure onsamenhangende pluraliteit, en de relatieve orde die we daarin zien is een regelrechte leugen. Het knappe van Menasses roman vind ik dan dat hij zonder meer een mozaïek bouwt, door de vele plotlijnen zo helder naast elkaar te presenteren en met elkaar te verknopen zonder dat je als lezer het overzicht verliest, maar dat hij tegelijk door die veelheid van plotlijnen toch die pluraliteit mooi voelbaar maakt. Hij maakt een samenhangende mozaïek, maar verdoezelt niet dat het eigenlijk onsamenhangende en uitgestrooide confetti is. Schitterend. En naar mijn idee een mooi statement: is immers niet ook de EU een enorme pluraliteit, die zich niet door eenheid kenmerkt maar door verscheidenheid en diversiteit? En is het niet juist dat wat gekoesterd moet worden als we het hebben over "Europa"? Volgens mij is dat de boodschap die Menasse over wil brengen met zijn zo vernuftig pluralistische, vertakte, van verscheidenheid doordesemde romanconstructie.
En dan de stijl. Die is, zeker in het begin, behoorlijk ontregelend, en vol opmerkelijke toonwisselingen: vol vrolijke en absurdistische humor, vol cynische humor, vol satirische spot (met name op diverse carrière-jagende EU-ambtenaren), maar ook vol troosteloze melancholie. En soms is het dat alles tegelijk. Vraag mij niet hoe dat kan: het is zo. Ik wist door de diverse wisselingen van toon -en door alle elkaar afwisselende plotlijnen- een tijd lang niet wat voor boek ik zat te lezen, wat ongetwijfeld precies Menasses bedoeling is. De openingszin luidt "Daar loopt een varken!". Midden in Brussel loopt een varken.... Kolder, slapstick, die in de proloog nog door diverse burleske scenes wordt gevolgd. Hoofdstuk een heeft (zoals alle hoofdstukken) een motto: "Verbanden hoeven niet werkelijk te bestaan, maar zonder verband zou alles uit elkaar vallen". Een vermakelijke paradox, die - zo besef je op dat moment al- ook op ironische wijze past bij de eerder genoemde pluralistische constructie van deze roman. De eerste zinnen van hoofdstuk een zijn dan weer redelijk kolderiek: "Wie heeft de mosterd uitgevonden? Dat is geen goed begin voor een roman. Aan de andere kant: er kan geen goed begin zijn omdat er, goed of minder goed, helemaal geen begin is". Ik grijns breed bij zulke passages.
Maar ja, iets verderop in hoofdstuk een, maar wel in een andere plotlijn, komt dat motief van niet- kunnen- beginnen terug. In een kerk, nota bene, waar een in Brussel dolende Pool de Christus-figuur bekijkt. En dan is de toon er ineens een van intens melancholische wanhoop: "Je had niets te wensen van een absolute geest die zweeg. Hij keek naar de aan het kruis genagelde man. Wat deze mens als voorbeeld voor de mensheid ervaren had en aan het eind ook uitgesproken, was het volledig verlaten zijn op het moment van het absolute: als het omhulsel wordt opengereten, stukgeslagen, uiteengerukt en doorstoken, als de kreten van pijn in kermen en ten slotte in zwijgen overgaan. Alleen in het zwijgen is het leven de almachtige God nabij, die in een onvoorstelbare opwelling het tegendeel van zijn Zijn uit zichzelf heeft vrijgemaakt: de Tijd. De mens kan vanaf het tijdstip van zijn geboorte terug en terug en verder terug denken, eeuwig, eeuwig terug, hij zal bij geen begin komen en met zijn onnozele begrip van tijd maar één ding begrijpen: hij is, voordat hij was, eeuwig niet geweest. En hij kan vooruit denken, vanaf het moment van zijn dood de hele toekomst in, hij zal bij geen enkel einde komen, alleen tot dit inzicht: hij zal eeuwig niet meer zijn. En het tussenspel tussen eeuwigheid en eeuwigheid is de tijd - het lawaai maken, het geroezemoes, het stampen van machines, het dreunen van motoren, het knallen en bulderen van wapens, het geschreeuw van pijn en de wanhopige kreten van lust, de koralen van de woedende en van de vrolijk bedrogen massa's, het rommelen van de donder en hijgen van angst in het microscopische terrarium van de aarde". Prachtige passage, vind ik. Die, even eloquent als de eerder aangehaalde zinnen, wel hetzelfde zegt als die eerdere zinnen: er is geen begin, er is geen einde, er is trouwens ook geen samenhang, en alles is hopeloos. Wat uiteraard heel tragisch en treurig is, maar, gezien alle grappen die Menasse daarover kan maken, tegelijk heel komisch. Alsof de ordeloosheid en onsamenhangendheid van deze wereld zich zelfs niet eens laten beschrijven in één stijl en één toon. Alsof ons leven per definitie tragi-komisch is, en door al zijn mislukkingen hilarisch en deprimerend tegelijk.
"De hoofdstad" is in mijn beleving dus een bewust pluralistische roman, die zowel in zijn humoristische als zijn melancholische passages vaak draait om ervaringen van leegte, absurditeit, omsamenhangendheid, richtingloosheid. En toch is deze roman ook vol utopische hoop, hoewel ook die hoop met behoorlijk veel melancholie en absurdisme is vermengd. Dat komt vooral naar voren in de plotlijnen die raken aan de "Jubilee- Action": een initiatief van enkele van de EU-ambtenaren om het treurig slechte imago van de EU op te vijzelen door het jubileum van de EU met passende thematiek te vieren. Dat initiatief lijkt aanvankelijk regelrechte kolder, door de idiote thema's die aangedragen worden en door de wel erg pragmatische, op eigen loopbaanperspectiefjes gerichte motieven die diverse personages daarbij hebben. En die kolder lijkt om te slaan in regelrechte pikzwarte humor, zodra één van die personages een lumineus idee krijgt: om het EU-jubileum te combineren met een Auschwitz-herdenking, en om in het EU-jubileum nadrukkelijk te zeggen dat de EU op Auschwitz is gegrondvest. Een verrassende wending, die door Menasse wordt benut voor een aantal ongeëvenaarde zwarte grappen en geniale absurdistische passages. Grappen en scenes die helemaal passen bij het absurdisme en de chaotische onsamenhangendheid die de hierboven door mij geciteerde passages doordrenken. Maar geleidelijk aan wordt, via nog weer andere zeer ingenieuze plotlijnen, duidelijk dat dit Auschwitz- motief niet alleen maar een zwarte grap is. Want Auschwitz, dat was één van de extreemste voorbeelden van waartoe geradicaliseerd nationalisme kan leiden, zo beseffen sommige personages. En de EU, zo denken diezelfde personages, had zijn oorsprong in de gepassioneerde kreet "nooit meer Auschwitz!", en in het ideaal om al het nationalisme dat tot Auschwitz leidde te ontstijgen door de inrichting van één supra-nationalistische Europese unie. Met een waarlijk Europees parlement dat alle nationalistische parlementen verving. Eén van de vele personages, Alois Erhart, een emeritus professor staathuishoudkunde, verdedigt precies dit ideaal, in een vlammend - en door Menasse briljant geschreven- betoog: een betoog dat dezelfde intensiteit heeft als iemands allerlaatste woorden, waarin nog één keer het wezenlijke kan worden gezegd. Een volkomen onwerkelijk en wereldvreemd betoog ook, zoals de spreker wel weet, want de EU heeft zich immers totaal anders ontwikkeld, en de geschiedenis van de EU is er altijd een geweest van moeizaam laveren tussen en worstelen met verschillende nationale belangen. Maar, zo bedenkt Alois Erhart : "Geschiedenis is niet alleen het verhaal van wat was, maar ook de constante bestudering van de redenen waarom het meer verstandige er niet kon zijn. Dat zou het motto van zijn autobiografie moeten worden, dacht hij […]. Hij wilde een autobiografie schrijven die niet zijn bescheiden leven vertelde maar het niet-geleefde. Het niet- geleefde van zijn tijd." De werkelijkheid van de EU staat op totaal gespannen voet met het supra-nationalistische "nooit meer Auschwitz!"- ideaal. De gerealiseerde geschiedenis staat dat ook. Maar wat Erhart interesseert is niet de hedendaagse of historische werkelijkheid, maar de helaas niet gerealiseerde MOGELIJKHEID, niet het geleefde leven maar het NIET- GELEEFDE leven van het vergeten, ongerealiseerde, mogelijk onrealiseerbare, maar wel prachtige supra-nationale ideaal. Daar komt hij voor op. Al is dit het laatste wat hij doet.
In zijn verhelderende nawoord laat vertaler Paul Beers zien dat Menasse zelf dit supra-nationale ideaal verdedigd heeft in diverse essays en voordrachten. De wijze waarop hij het nu in de mond legt van Alois Erhart en sommige andere personages getuigt van veel geëngageerde inzet. Die komt naar mijn idee ook naar voren in diverse, vaak behoorlijk ironische verwijzingen naar Musils "Der Mann ohne Eigenschaften". In veel recensies is al opgemerkt dat de "Jubilee- Action" verwijst naar de "Parallelaktion" in Musils meesterwerk: de volkomen mislukkende, en zeer absurde poging om een passend thema te bedenken voor het jubilerende koninklijk-keizerlijke Habsburgse rijk. De tragische ironie bij Musil is dat dit Habsburgse rijk zal worden weggevaagd door WO I, zonder dat de personages dat zien aankomen: ik hou het niet voor onmogelijk dat Menasse ook naar die tragische ironie verwijst, en dus het gevoel wil oproepen dat ook Europa mogelijk op zijn laatste benen loopt. Een gevoel dat nog versterkt wordt door de vele plotlijnen in dit boek die letterlijk doodlopen, en de diverse personages wier levens en wier tijdperk voorbij zijn. Tegelijk echter was Musils "Der Mann ohne Eigenschaften" ook een meesterwerk van het essayisme, van een wijze van schrijven die niet de gerealiseerde werkelijkheid wil onderzoeken maar juist de nog ongerealiseerde mogelijkheden. Dus niet wat "is", maar wat had kunnen zijn, of nog ZOU kunnen zijn, eventueel, misschien. De hierboven geciteerde passage is, volgens mij, helemaal in de geest van dit essayisme. Zij het misschien met nog wat meer dramatische lading en toon van urgentie: het exploreren van de niet-gerealiseerde mogelijkheid (het niet- geleefde leven) is voor Erhart immers de allerlaatste hoop. Want het geleefde leven en de wel gerealiseerde werkelijkheid is hopeloos. Dus rest hem - en volgens mij ook: Menasse- niets anders dan het exploreren van het niet- geleefde leven, het niet- verwerkelijkte en mogelijk on-werkelijke ideaal. Maar dat exploreren doet Erhart dan wel met alle kracht die in hem rest. En Menasse mogelijk eveneens: in elk geval wel met alle inzet van zijn humor, zijn schrijfkunst, zijn stilistische vermogens, zijn compositorische vermogens, en zijn denkkracht.
Ik vind dit kortom een enorm veelzijdig en rijk boek. Vaak heb ik hard gelachen, ook om de heel zwarte grappen. Vaak was ik ontroerd door de melancholieke passages en tegelijk opgetogen over de briljante stijl van die passages. Ik was verbluft door de manier waarop Menasse alle chaotische troosteloosheid van het bestaan presenteerde in een even humoristische als melancholieke stijl, en in een ongelofelijk goed geconstrueerde plot die, ondanks alle heterogeniteit, toch helder blijft. Ik bewonder hoe hij mij meesleept met een onwerkelijk utopische droom, en door de intense inzet van die droom. En ik bewonder hoe hij mij laat dromen van een Europa dat zich aan zijn nationalistische belangen ontworstelt, dat meer gevoel heeft voor de tragi-komische conditie van ons bestaan, en dat net zoveel recht doet aan onze verscheidenheid als deze pluralistische roman. Dus ja, ik genoot. Zeer.