"Ik moet denken aan de oudjaarsviering in 1911, zoals mijn tante Maart die beschreef. De hele familie die zwoegt om haastig een zeil af te maken voor een logger, die nog voor oudjaar van wal moet steken. De kachel die extra opgestookt wordt - een grote luxe - om oliebollen te bakken. De kinderen die in de lege werkplaats mogen knikkeren. De grote olielamp die nog even aan mag blijven. De genoegen 's avonds: kerkbezoek, chocolademelk, gerookte paling, een zondagsschoolboekje met een gekleurd plaatje voorop. Het gezamenlijke gebed om gezondheid en zegen in het nieuwe jaar. Twaalf uur: 'De klokken van de toren galmen en ergens vliegt een pijl in de lucht. Maar verder gebeurt er niets.'" (p. 629)
Miljoenen Europeanen hebben geleefd als mijn ouders. Ze probeerden om hun persoonlijke bestaan tussen al die breukvlakken door te loodsen. Ze vielen, stonden weer op, maakten hun keuzes tussen goed en kwaad, lieten altijd maar weer meningen en idealen op elkaar los in de onuitblusbare hoop dat het er iets toe zou doen. Miljoenen anderen leefden zomaar een eindje weg, wat konden ze anders dan leven bij de dag, ze hadden een vader, een moeder, misschien een grootvader, en een oude kerk achter de dijk, dat was alle geschiedenis die ze hadden. En daarnaast waren er nog eens de tallozen die de krankzinnigste bewegingen aanhingen en de raarste uniformen aantrokken enkel omwille van een handvol zekerheden en een brokje eten.
Gezamenlijk vormden ze een ongekend nieuwe kracht in deze eeuw: de massa, die oorlogen voedde, revoluties aanjoeg, machthebbers maakte en brak.
(...)
In diezelfde triomfstemming [van de instorting van het communisme] kwam overal ter wereld een nieuw conservatisme tot bloei. In wezen was hier sprake van een soort ontdemocratisering, zowel in macht als in welvaart en ontplooiingsmogelijkheden. Signalen uit de maatschappij, minderheidsstandpunten, ze werden steeds vaker opzij geschoven. In West-Europa werd de betrekkelijke democratie van de nationale parlementen meer en meer uitgehold door de bureaucratie van de Europese Unie. De economische politiek werd steeds vaker gericht op het aanbod van het bedrijfsleven, en niet op de vraag van de mensen zelf.
Onder opinie- en beleidsmakers begon de gedachte post te vatten dat dit een natuurlijke ontwikkeling was. Men meende dat de wereldheerschappij van de vrije markt onvermijdelijk was, nu de communicatietechniek zover was dat banken en investeerders de aarde konden omvatten als de beursvloer in hun eigen stad. Bovendien, zo verwachtte men, zou vrije concurrentie over de hele wereld uiteindelijk van voordeel zijn voor alle nationale economieën. Na het marxisme was de nieuwe ideologie die van de vrije markt. Maar het bleef een geloof, met alle blindheid die erbij hoorde.
De beloften van de vrijemarktprofeten bleken al snel van weinig waarde. In Rusland - en ook elders - leidde hun ideologie voornamelijk tot een ongekende roof- en plunderpartij van de schaarse zaken die het land nog bezat. In het Westen werden tal van publieke diensten aan het marktmechanisme overgeleverd, wat in de meeste gevallen tot prijsverhogingen en kwaliteitsverlagingen leidde. Op alles moest opeens geld verdiend worden. De inhoud van het werk telde minder en minder. Een aantal mensen werd zeer rijk, de armen betaalden." (pp. 627-8)
Zo eindigt schrijver Geert Mak zijn boek De eeuw van mijn vader (1999), waarin hij de levens van zijn vader, moeder, broers en zussen beschrijft aan de hand van historische bronnen, interviews en eigen herinneringen - en deze levens in de context van hun tijd plaatst: de verzuilde samenleving, de dominantie van geloof in leven en politiek, de wereldoorlogen, het kolonialisme in Nederlands-Indië, de naoorlogse wederopbouw en welvaartsgroei, de culturele verschuivingen door de babyboomgeneratie, etc.
Bovenstaande twee citaten spreken boekdelen: rond 1900 was Nederland een simpele samenleving, primair gericht op landbouw en ambachtswerk, waar kleine gemeenschappen leefden rondom plaatselijke kerken, waar standen en nestgeur bepaalden wat iemands plek in de samenleving was, waar zuinigheid en discipline de kernwaarden waren. Het leven van de meeste mensen, zo ook de Maks en Van der Molens, speelde zich af op het eigen kleine eilandje en kabbelde van dag tot dag eentonig voort. De Eerste Wereldoorlog sloeg Nederland over, maar uiteindelijk haalde ook de veranderende wereld de Nederlandse samenleving in toen de Duitse legers in mei 1940 ons land binnenvielen en na de oorlog de Nederlandse elite haar koloniale pretenties - onder druk van de Amerikanen - moest opgeven.
Uiteindelijk is Nederland rond de eeuwwisseling een totaal ander land, een totaal andere samenleving geworden. Een land waar de massamens domineert; waar het consumentisme de geloofsbelijdenis heeft vervangen; waar allerlei ideologische twisten (vrije markt versus sociaaldemocratie, etc.) de religieuze twisten van weleer hebben vervangen; en waar de maatschappelijke ordening draait om het individu en niet langer om de gemeenschap. Een land van 15 miljoen inwoners (in 1995; inmiddels 18 miljoen in 2025), maar dat rond 1900 Nederland slechts 5 miljoen mensen telde. Een land waar de technologie de grootste transformatie sinds de agrarische revolutie heeft voortgebracht: televisie, radio, film, mode, leefstijl, etc. (en sinds Mak's schrijven aangevuld met internet, smartphones en sociale media).
Mak beschrijft prachtig hoe zijn vrome, gereformeerde ouders de laatste jaren van hun leven (gedurende de jaren zeventig) de maatschappelijke veranderingen niet meer konden bijbenen en apathisch toekeken hoe hun kinderen en kleinkinderen totaal andere levens gingen leidden - zonder een spoor van ressentiment of afkeuring overigens. Dit was hun wereld niet meer.
Mak's ouders stamden uit een wereld die voorgoed was verdwenen: een wereld van standen en religie, waar voor zijn vader een studie theologie een ticket voor een beter bestaan betekende; waar voor zijn moeder het gezin een levenslange gevangenschap betekende; waar een carrière als predikant (zijn vader) in Nederlands-Indië enorme familiale scheuringen teweegbracht (lange tijd nauwelijks contact met in Nederland achtergebleven familie; het terugsturen van eigen kinderen naar Nederland voor een betere opleiding, etc.) - in een tijd waar brievenpost per vliegtuig er weken over deed en telefoneren een vermogen kostte (!); en waar de ervaringen in de Jappenkampen tijdens 1942-1945 de levensbeschouwing en het wereldbeeld van zijn ouders tekenden.
Al met al is De eeuw van mijn vader een prachtig boek, dat de lezer meeneemt naar vervlogen tijden en die voorbije tijden tot leven wekt in al zijn geuren en kleuren. Voor een moderne lezer is het onvoorstelbaar hoe anders de wereld eruitzag in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Helaas zijn de meeste getuigen van deze wereld inmiddels overleden, maar gelukkig hebben we nog boeken als deze van Mak, die als tijdcapsule dienen. Eigenlijk zou dit boek verplicht moeten worden op middelbare scholen: de jongste generaties hebben geen idee van de geschiedenis van Nederland en van de transformatie die onze samenleving in enkele decennia heeft ondergaan - men neemt alles voor lief en wentelt zich in wereldvreemde ideologische scherpslijperij (woke, neoconservatisme, etc.) die niets van doen heeft met de werkelijkheid.
Mak wijst op het eind van zijn boek op de gevaarlijke tendensen van de Europese Unie en de globalisering. Hij schreef dit in 1999 en anno nu kunnen we slechts concluderen dat zijn voorspellingen grotendeels zijn uitgekomen. Ironisch en gek genoeg is Geert Mak zelf volledig van zijn geloof geloof gevallen en predikt hij tegenwoordig de Europese eenwording en de ineenstorting van de Westerse beschaving door toedoen van Trump en de 'populisten'. Misschien lijkt hij toch meer op zijn vader dan hij durft toe te geven? Misschien is hij nu zelf beland in de eindfase van zijn ouders - waar zij de eigentijdse ontwikkelingen niet meer konden bijhouden - die hij zo mooi beschrijft?