Op essayistische wijze onderzoekt Safranski hoe er door intellectuelen is nagedacht over de verhouding van de mens tot de waarheid. Het woord waarheid is wat verwarrend, want eigenlijk doelt Safranski op de gevonden waarheden van intellectuelen -ideeën dus - om de kloof tussen ons bewustzijn en de wereld daaromheen te dichten.
De kloof werkt als volgt: mensen zijn niet goed ingebed in hun omgeving, we vallen er niet mee samen en moet leven met dit gebrek. Ons bewustzijn staat namelijk los, en is daarmee ‘vrij’ van de realiteit daaromheen, de planten, dieren, huizen etc. We kunnen erop reflecteren, maar maken geen onderdeel van de wereld uit. Het bewustzijn kent een andere entiteit en staat daarmee op afstand van die wereld en het leven, die vaak multi-interpretabel wordt aangeduid met ‘het zijn’.
Dit thema van de onmogelijkheid samen te vallen werkte Safranski later indrukwekkend uit in het boek ‘het kwaad. Of het drama van de vrijheid’ waarin hij het kwaad niet voorstelt als begrip ‘maar als een naam voor het bedreigende dat het vrije bewustzijn kan tegenkomen en voor iets wat het zelf kan doen’.
In ‘Hoeveel waarheid heeft de mens nodig?’ wil Safranski de ideeën over de waarheid en (al het denkbare) laten botsen op de praktische toepasbaarheid (al het leefbare).
Safranski beschrijft hoe verschillende grote denkers hun waarheden vonden en ze wilden inzetten om het ware zijn tevergeefs dichter te naderen, om iets meer samen te vallen dus. In het beste deel van het boek beschrijft hij hoe Rousseau verlangde naar de natuurstaat, om vervolgens terreur goed te keuren met zijn algemene volkswil, hoe Heinrich von Kleist poogde om aansluiting te vinden bij zijn omgeving en hoe Nietzsches wilde triomferen over zijn ‘eerste natuur’ om een nieuw mens te worden dat geen slachtoffer was van biologische of maatschappelijke zwakheden.
Deze denkers zochten naar onmiddellijkheid stelt Safranski, en hun ‘waarheden’ moesten hen daarbij helpen.
Het klopt dat de zoektocht naar waarheid vaak het samenvallen met het zijn op het oog heeft en dat de ‘onmiddellijkheid’ een onderdeel van dat samenvallen vormt. Toch mist dit werk coherentie. Met de boektitel verwacht ik een zoektocht naar de vraag wanneer iemand genoeg ‘waarheid’ bezit, in dit geval kennis heeft, die helaas – ontoereikend blijkt omdat zij niet raakt tot een alwetende, universele kern. Maar die vraag over een gewenste kennishoeveelheid voor het dagelijks leven wordt slechts zijdelings behandeld met Nietzsche. Een religieuze focus ontbreekt eveneens, terwijl het logisch was geweest enkele christelijke theologen en bijv. Boeddha te behandelen, die het samenvallen tussen aards handelen en de hemelse sferen heel anders opvat. De religieuzen ‘waarheden’ geven immers houvast. Ook een existentiële focus mist. Camus is een opvallende afwezige, die met De mythe van Sisyphus en De vreemdeling toch zeer invloedrijk werk schreef over een onbereikbare waarheid, de onmogelijkheid samen te vallen en een afwezige zin in het leven.
Safranski is sterk in het leesbaar maken van zeer complexe ideeën, zonder afbreuk te doen aan hun intellectuele zeggingskracht. Maar in dit boek vergaloppeert hij zich vaak in zijn analyses van egodocumenten. Zo probeert hij Socrates en Kafka hardnekkig te koppelen aan zijn hoofdthema.
Kenbaar of niet, de waarheid blijkt toch te groots en ontsnapt aan dit boek. De grondstellingen van dit boek werden beter uitgewerkt in Het Kwaad.