Zweedse laarzen van Henning Mankell is het vervolg op Italiaanse schoenen en sluit hiermee de duologie af. Het speelt zich allemaal af op het eiland van Fredrik Welin, wanneer hij op een nacht wakker wordt, terwijl zijn huis in brand staat. Hij kan net op tijd naar buiten snellen, maar voor zijn huis is het te laat en alles is tot op de grond plat gebrand. Fredrik Welin vindt snel onderdak in de caravan van zijn dochter die zich ook op het eiland bevindt. Hij waarschuwt de instanties in verband met de brand en daarop volgt een onderzoek naar de brand. Maar dan lijkt alles in het nadeel van Fredrik Welin te draaien: heeft hij de brand aangestoken om zo te kunnen profiteren van zijn verzekering of loopt er een pyromaan rond op het eiland die niet ontmaskerd wil worden?
Dit boek is net als Italiaanse schoenen weer zeer mooi geschreven door Henning Mankell met hier en daar zeer mooie fragmenten en citaten, die ik onder mijn recensie zal citeren. Het was echt een boeiend boek, dat ook aanspoorde om steeds verder te lezen, want wat je als lezer uiteindelijk wilt weten, is wie die brand nu effectief heeft aangestoken. Als lezer, leef je mee met Fredrik Welin. Ik kende het hoofdpersonage al uit het eerste boek, Italiaanse schoenen, en nooit is mijn verdenking op hem gevallen. Hij heeft misschien fouten gemaakt in zijn verleden, maar hij lijkt me niet iemand die zijn huis in brand zou steken om zo het geld van de verzekering op te kunnen strijken. Dus het is een interessante ‘zoektocht’ naar de dader. Het is natuurlijk geen echte whodunit thriller, want er gebeurt veel meer in het verhaal dan enkel dat. Het gaat ook over de verzoening met zijn dochter na jaren niet van haar bestaan af te weten. Zijn dochter woont in Parijs en probeert daar haar leven te leiden met haar nieuwe vriend en haar pasgeboren dochtertje. Het verhaal gaat niet alleen over zijn dochter, maar ook over Lisa Modin, een journaliste die hij leert kennen naar aanleiding van de brand van zijn huis. Zij wil hem interviewen daaromtrent en leeft intens met hem mee. Fredrik zoekt ook echt het contact met haar op, want hij voelt zich op zijn eiland zeer alleen en zoekt toch iemand om erover te kunnen praten. Zij is zo’n beetje zijn steun en toeverlaat in deze moeilijke tijden. Verder gaat het ook over zijn contact met mevrouw Oslovski, Nordin en Jansson.
Je leert als lezer het hoofdpersonage beter kennen doordat hij ook vertelt over zijn verleden. Zijn relatie met zijn vader en zijn periode dat hij in Parijs geleefd heeft. Er is ook een constante verwijzing te merken naar het universele thema van de dood in dit boek. Waarschijnlijk omdat Fredrik door de brand van zijn huis beseft hoe snel gedaan kan zijn, maar misschien is dit ook een verwijzing naar het feit dat Henning Mankell, die aan kanker leed, zijn eigen dood voelde naderen. Het is echt een waardig vervolg op Italiaanse schoenen en het boek boeit van begin tot einde zonder te vervelen. Voor mij krijgt dit boek vier sterren, omdat het echt een aanrader is!
Mooie citaten:
Ik kan me niet herinneren dat hij met me speelde toen ik klein was. Wat ik me wel herinner, is dat ik voor mijn tiende leerde stropdassen knopen. Het kunstzinnig vouwen van servetten hoorde ook bij mijn opvoeding.
Uiteindelijk moet ik in slaap gevallen zijn. Als ik onder grote druk sta, is het niet ongebruikelijk dat ik mijn toevlucht neem tot slapen. Op elk moment van de dag, waar ik ook ben, kan ik wegdommelen. Het is alsof ik mezelf dwing te slapen, net zoals ik als kind naar verstopplekken zocht. Ik richtte geheime ruimtes in tussen vuilnisbakken en kolenvoorraden, op de binnenplaatsen van de huurhuizen waar we woonden. Ik zocht in de bosjes naar het dichtste struikgewas. In mijn leven heb ik heel wat, voor anderen volstrekt onherkenbare verstopplekken achtergelaten. Maar geen enkele was zo volmaakt als de slaap.
῀
Het koste me normaal twintig minuten naar het dorp. Uitgerekend vandaag ging het aanzienlijk sneller. Ik minderde pas snelheid toen ik besefte dat ik mezelf in gevaar bracht. Ik begon te vermoeden dat mijn huis ook iets in mijzelf had doodgemaakt. Ook mensen kunnen dragende balken hebben die het begeven.
῀
‘Mijn naam is Lisa Modin’, zei de vrouw. ‘En jij moet de man zijn die vannacht zijn huis in vlammen zag opgaan. Ik vind het heel erg voor je. Het lijkt me verschrikkelijk, tragisch ook. Een huis en thuis zijn voor een mens immers als een buitenste huid.’
῀
Ik liep naar het hoogste punt van het eiland. Daarvandaan kan ik naar alle windstreken kijken. Grootvader maakte er ooit een bankje, waar hij en grootmoeder op warme zomeravonden altijd zaten. Of ze met elkaar praatten of samen zwegen weet ik niet. Maar als jonge knul – het was een paar jaar voor ze overleden – pakte ik grootvaders verrekijker eens en richtte die op hen. Tot mijn verbazing hielden ze elkaars hand vast.
Het was een vanzelfsprekend gebaar van tederheid en dankbaarheid. Ze zijn eenenzestig jaar getrouwd geweest.
Het bankje is vervallen. Ik heb het niet onderhouden. Ik heb het verwaarloosd, zoals zo veel hier op het eiland.
῀
Het was net of ik weer door het huis dwaalde. Door vele generaties vergaarde afdrukken van het leven waren in enkele korte nachtelijke uren weggevaagd. Onzichtbare sporen van bewegingen, woorden, stiltes, verdriet, pijn en gelach waren verdwenen. Zelfs het onzichtbare kan tot as en roet worden.
῀
Ver weg aan de horizon zag ik wolken samenpakken tot slecht weer. Ik keek uit over zee en bedacht dat ik binnenkort moest beslissen wat ik ging doen.
Was mijn leven verbrand? Had ik ergens nog een sprankje waardoor ik me met iets anders bezig kon houden dan met de vernedering van het ouder worden? Was ik in staat een hernieuwde levenswil op te wekken?
῀
Nu de aanval voorbij was, bedacht ik dat het gewoon de ouderdom was. Tot nu toe had ik eigenlijk altijd gedacht dat het verstrijken der jaren weinig te betekenen had. Ik werd ouder, maar langzaam, onmerkbaar bijna. Ik kon niet meer in mijn boot springen zoals ik tien jaar geleden deed. Tegenwoordig moest ik met één hand steun zoeken om erin te stappen. Ouder worden was als mist die stilletjes komt aandrijven over zee.
Maar misschien was dat niet mee zo. Ik was nu een oude man die bang was om dood te gaan. De stap over de onzichtbare grens zetten, was wat me uiteindelijk restte in het leven. Het was een stap die ik vreesde, meer dan ik eerder had vermoed.
῀
‘Het ouder worden en de dood’, zei Oslovski. ‘Ik las eens een citaat dat in een timmerwerkplaats aan de muur hing. Er stond dat je het leven niet zo serieus moet nemen, omdat je het toch niet overleeft.’
Ineens draaide ze zich om en wierp een blik in de richting van de oprit waarover Lisa Modin zojuist was verdwenen en van de kleine zijweg die naar mijn auto en haar huis leidde. Ze was bang voor iets buiten haarzelf. Wat kon het anders zijn dan voor mensen?
Ik liep naar de boot. In mijn vele jaren als arts was ik dagelijks bange mensen tegengekomen. Eén zomer had ik een paar weken waargenomen op de kankerafdeling van een van de grootste ziekenhuizen in het land. Doordat er een paar artsen van de afdeling ziek waren, moest ik in een periode van tien dagen verschillende patiënten een zeer slechte tijding brengen. Ik herinner me vooral een jonge man die naar de dokter was gegaan omdat hij op een ochtend wakker werd met een pijnlijke, stijve nek. De orthopeed die hem onderzocht dacht dat het misschien iets anders was. Een röntgenonderzoek bracht de juiste diagnose aan het licht.
Ik zat met het resultaat voor me aan mijn bureau. De stijve nek was een ernstige, waarschijnlijke, ongeneeslijke vorm van kanker. De primaire tumoren zaten in zijn linkerlong, de pijn in zijn nek was een metastase die zich in een van zijn nekwervels verborg. Ik was degene die het hem moest vertellen. In het dossier zag ik dat Sven Roland Hansson in 1951 was geboren en dus negentien jaar oude was. Dit vond in 1970 plaats. In die tijd waren de mogelijkheden om kanker te genezen nog beperkt. Tegenwoordig overleven zes van de tien mensen een kankerdiagnose en de behandeling. In 1970 waren dat er misschien drie of vier.
Ik wist dat ik hem waarschijnlijk een doodvonnis moest brengen, toen ik hem uit de wachtkamer binnenriep. Als er moeilijke uitslagen verteld moesten worden, was het gebruikelijk dat er een ervaren verpleegster bij was. Ik had een oudere vrouw die al jaren op de afdeling werkte, gevraagd in de spreekkamer aanwezig te zijn.
De Sven Roland Hansson die binnenkwam was wat ze destijds een nozem noemden, een overjarig exemplaar. Hij droeg een groen jack en een kapotte spijkerbroek. Hij nam de verpleegster en mij onwillig op, gaf duidelijk te kennen dat hij haast had en wilde amper plaatsnemen op de stoel die ik hem aanbood.
Toen ik de verpleegster had gevraagd hoe ik de patiënt de boodschap moest brengen, zei ze dat ik recht voor zijn raap moest zijn. Voor het vertellen van een ernstige uitslag bestond geen verzachtende manier. Het belangrijkste was dat de patiënt inzag dat de dokter die tegenover hem zat zijn lot serieus nam.
Er wachtten nog veel onderzoeken voordat het artsenteam op de kankerafdeling zou besluiten welke behandeling hij zou krijgen. Daar had ik verder niets mee te maken, omdat ik geen specialist was en slechts invaller bij onderbezetting tijdens de vakantieperiode.
Uiteindelijk ging hij zitten. Toen kon ik zien dat er een angst in hem begon te groeien. Het was blijkbaar niet eerder tot hem doorgedrongen dat hij en conclusie had moeten trekken uit het feit dat hij zich op de kankerafdeling bevond.
Zo zorgvuldig mogelijk legde ik hem de ernst van zijn ziekte uit. Ik zag hem wit wegtrekken. Hij begreep het.
Plotseling begon hij te schreeuwen. Het was net of iemand hem had gebrandmerkt of gestoken met een mes. Ervoor, noch erna heb ik ooit iemand zo horen schreeuwen als hij. Daarom vergeet ik het nooit. Ik had ernstig lijden zien sterven in van angst doortrokken stilte, ik had mensen horen brullen, maar nooit had ik de verandering gezien die deze jonge man doormaakte. Hij schreeuwde zo vreselijk dat de kauwgom uit zijn mond vloog en op mijn witte doktersjas belandde. Ik wist niet wat ik moest doen, maar de oude verpleegster schoot te hulp. Eerst pakte ze zijn hand. Hij rukte zich echter los en bleef schreeuwen. Toen pakte ze resoluut zijn lichaam vast, alsof hij een klein kind was. Tegelijkertijd wist ze zijn geschreeuw te overstemmen en zei tegen mij dat ik hem iets kalmerends moest geven.
Een jaar later viel mijn oog toevallig op zijn naam in de krant. In die tijd was het nog ongebruikelijk om iets anders dan een christelijk zwart kruis als symbool in een rouw advertentie te gebruiken, maar in het kleine vierkant van Sven Roland Hansson prijkte een gitaar.
Ik had een collega die narcotiseur was. Hij speelde gitaar. Hij wist me te vertellen dat de afgebeelde gitaar een Telecaster was, een van de belangrijkste elektrische gitaren aller tijden.
Iets van dezelfde angst als bij Sven Roland Hansson meende ik nu in het gezicht van Oslovski te zien. Haar bange ogen vertelden hetzelfde verhaal.
῀
Aan de achterkant van het boothuis lag een oeroude en lekke platboomd roeiboot die ik de afgelopen jaren niet meer had gebruikt. Ik duwde hem het water in en zag dat hij niet zo erg lekte als ik had gevreesd. Ik haalde de riemen uit het boothuis, legde een oud hoosblik op de bodem en stapte in de boot. Ik hoefde hem alleen maar te kunnen gebruiken om op en neer naar het rotseilandje te varen.
In mijn kindertijd was er een grotere roeiboot op het eiland. Die was zwart, helemaal doordrenkt van de teer, en grootvader gebruikte hem als hij met netten viste. Aanvankelijk had grootmoeder geroeid. Toen ik groot genoeg was om de riemen te hanteren en te weten hoe ik de boot moest houden zodat grootvader met de netten kon werken, ging de taak op mij over.
Opeens herinnerde ik me een voorval van toen ik een jaar of tien, elf was. Grootvader kreeg een zwemmende ree in het vizier. Zonder zich te bedenken liet hij het net dat hij in zijn handen had los, duwde me opzij en ging zelf aan de riemen zitten. Hij haalde de ree in, ging in de boot staan en sloeg met een riem op de kop van het dier.
De riem brak. De ree zwom verder. Maar grootvader stortte zicht half uit de boot en wist de horens te pakken. Tegelijkertijd trok hij zijn mes en sneed de ree de strot door. Het ging zo snel dat ik eerst niet begreep wat er gebeurde. Pas toen hij het dode dier met bebloede handen aan boord trok, begreep ik het. Het dier keek me aan met grote glanzende ogen, zonder te zien.
Ik had de dood leren kennen.
Vanaf dat moment koesterde ik altijd een zekere angst voor mijn grootvader. Ik had iets bij hem gezien waar ik eerder geen vermoeden van had gehad. De nek breken van vissen dei hij uit zijn netten haalde was één ding. Maar deze slacht op zee trof mij volkomen onvoorbereid.
Toen we aan land kwamen en hij het dode beest op de steiger kwakte, gaf ik over. Hij keek me misprijzend aan zonder iets te zeggen.
Hij riep grootmoeder. Samen ontweiden ze de ree. Ik was weggelopen.
De herinnering wekte het oude behagen tot leven. Het was haast zestig jaar geleden, maar ik kon de ferme haal in de hals die grootvader had gemaakt nog voor me zien. Hij straalde haat uit toen hij de riem stuksloeg op de horens van de bok. Ik vermoed dat hij met die kapotte riem tot aan de Finse kunst was geroeid als het nodig was geweest.
Die gebeurtenis maakte mij als jonge knul al duidelijk dat mensen nooit helemaal zijn wat je denkt. Dat geldt voor iedereen. Ook voor mijzelf. Er steekt altijd iets onverwachts in de mensen die je tegenkomt, en die je inmiddels dacht te kennen.
῀
‘Nee’, zei ik. ‘Geen horloge.’
‘Dan moet je het verloren hebben tijdens het roeien.’
‘Nee’, zei ik. ‘Dat weet ik zeker.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Dat weet ik gewoon.’
‘Eigenlijk hebben mensen geen horloge nodig. Het leven valt toch niet te meten.’
‘Je meet de tijd. Niet het leven.’
Ze wierp me een blik toe, maar zei niets.
Als arts werd ik elke dag geconfronteerd met de vluchtigheid van het leven. In tegenstelling tot predikanten, die preekten over de kortheid van het leven als een verschiet op het eeuwige leven dat wachtte aan gene zijde van het hier en nu, zag een arts wat de vluchtigheid feitelijk inhield. Er trok altijd een stroom beelden door mijn hoofd als ik dacht aan hoe de dood aanviel zonder dat zijn komst was aangekondigd. Zelfs ernstig zieke mensen, vaak oud, voor wie er geen uitweg meer was en bij wie het einde zich redelijkerwijs op elk moment kon aandienen, waren niet klaar om te sterven. Dat zeiden ze misschien wel tegen hun familie die op bezoek kwam, maar waar was het meestal niet. Als de familie vertrok en de stervende hen vriendelijk had uitgezwaaid, konden ze even later overvallen worden door tranen, angst en onpeilbare wanhoop.
De dood werd het beste begrepen door kinderen. Dat was niet alleen mijn ervaring, maar ook iets waar we het als artsen onderling vaak over hadden. Hoe was het mogelijk dat kinderen, vaak heel jong nog, die een leven voor zich zouden moeten hebben, zich zo rustig en bewust opstelden tegenover het feit dat ze gingen sterven? Ze lagen in bed stilletjes af te wachten wat komen zou. In plaats het leven dat ze nooit zouden krijgen, bestond er een anderen, onbekende wereld die hun wachtte.
Kinderen stierven bijna altijd volkomen stil.
Het gebeurt niet vaak dat ik aan mijn eigen dood denk, maar toen ik in de auto zat en Louise zo slecht reed, drongen gedachten aan het einde zich op. Vroeger dacht ik dat een arts een andere dood stierf dan de mensen die je als patiënten kunt bestempelen. Een arts heeft weet van alle processen die ertoe leiden dat het hart, de hersenen en andere organen ophouden met functioneren. Daarom zou een arts zich ook op een andere manier moeten voorbereiden dan een mens met een ander leven en een ander vak. Nu besefte ik dat dat helemaal niet zo was. De dood is even onbarmhartig, ongewenst en ingewikkeld om je op voor te bereiden voor mij als arts als voor een ander. Ik weet niet of ik rustig zal sterven of met wanhopig verzet. Ik weet absoluut niets over wat er mij wacht.
῀
‘De dood snapt een mens nooit’, zei ik. ‘Die volgt geen wetten en regels. De dood is een onverbeterlijke anarchist.’