Ik had dit boek bij de kringloop op de kop getikt, en het is me een raadsel waarom iemand het ooit van de hand zou willen doen. Want wát een leuk boek over schrijven! Het plezier spat er vanaf.
En daardoor klinkt het een beetje alsof dit een jolig of oppervlakkig boek is, maar dat is zeker niet het geval. Dorrestein neemt schrijven heel serieus, maar kan daar op een heel aanstekelijke manier over vertellen. Ik schoot meerdere malen in de lach tijdens het lezen, bijvoorbeeld als ze het over stijl heeft en opmerkt:
“Zelf strijd ik al jaren met man en macht tegen het verschijnsel dat ik op papier vaak leuteriger overkom dan mijn bedoeling is” (152). Ha!
Of als ze uitlegt hoe een paar juist gekozen woorden een veel treffender beeld schetsen dan een hele reeks bijvoeglijke naamwoorden, en zegt:
“In slecht proza ontbreekt het de personages dikwijls aan lichaamstaal. Ze zijn bijvoorbeeld extatisch van geluk, maar ze gedragen zich niet als zodanig. Ze staren niet het ene moment voor zich uit om het volgende ogenblik een gat in de lucht te springen, ze giechelen niet, ze laten geen dingen uit hun handen vallen, ze zitten zo gezegd op hun kont extatisch van geluk te zijn” (165).
Dit is dan ook geen handleiding, maar meer een soort college en schrijfmemoires in één. Er staat heel (heel) veel bruikbaars in, maar dat is eerder onderdeel van een groter verhaal dan de kern. Het grote verhaal gaat meer over het samenspel van ideeën, gestaag werken, technische aspecten (stijl, composities, etc.) en de manier waarop dit allemaal op verschillende manieren samenkomt afhankelijk van de persoon die schrijft. Hartstikke leuk om te lezen.
En ik heb nu ook zin om er weer eens een roman van Dorrestein op na te slaan.