'Het grijze kind' (1927) verschilt naar opzet en thematiek sterk van ander wek van Theo Thijssen. De schrijver betoont zich in dit boek een scherpzinnig criticus van de hypocrisue van de gegoede milieus van zijn tijd. 'Het kind dat al veel beleefd had; het kind met de onbestaanbare voorlijkheid van begrip.' Zo omschrijft Thijssen de hoofdpersoon uit zijn roman. Het grijze kind, Henricus van Stadt, is jong oud. Hij heeft de levenservaring van een volwassen man, wat maakt dat hij feilloos het misplaatste standbesef van het kleinburgerlijke milieu doorziet waarin hij opgroeit. In tegenstelling tot zijn andere boeken, waarin hij aandacht heeft voor de wederwaardigheden van arbeidersgezinnen, beschrijft Thijssen in dit werk het wel en wee van een welgesteld gezin. Ook opmerkelijk is dat 'Het grijze kind' zijn enige boek is waarin hij het gezin en de school als benauwende instituties neerzet. Thijssen was van mening dat dit zijn beste boek was.
Soms heb ik het nodig om tussen al het geweld en de psychologische spelletjes eens een gewoon, goed, Nederlandstalig boek te lezen. Ik grijp dan vaak terug op boeken uit de eerste helft van de vorige eeuw. Theo Thijssen heeft een aantal van mijn favoriete boeken gescheven en alhoewel Het grijze kind niet een speciale favoriet is, is het heerlijk om het boek nogmaals te lezen. Behoudens de schitterende dialogen die blijk geven van een scherp inzicht in de menselijke natuur, is het ook interessant om te zien hoe het Nederlands in die ongeveer 100 jaar veranderd is. De spelling, de zinsopbouw, de woorden die wij niet meer gebruiken maar nog wel herkennen... Vooral ook: niet het smijten met leenwoorden uit het Engels, niet het bovenmatig politiek correcte. Een jongen is gewoon een jongen en die doet 'jongensdingen' en voor een meisje geldt dat ze niet meetelt behalve als 'bestierster' van haar eigen huishouden. Gelukkig is er ook veel ten goede veranderd in die 100 jaar, maar het is fijn om aan de hand van een boek als dit weer eens te zien hóeveel. Het grijze kind is niet zo'n verhaal als Kees de jongen, dat een miljoenenpubliek heeft getrokken, of zelfs niet als Het taaie ongerief (mijn persoonlijke favoriet). Het is wel een verhaal dat tot nadenken stemt.
Minder dan Kees de jongen omdat de hoofdpersoon niet zo'n geniaal karakter is. De karakters eromheen en de beschrijvingen van het 'goede burgerbestaam' zijn wel heel lauw.
Spoilers onderaan, dus dit beter lezen als je het boek al uit hebt!
Een verrassing om te lezen dat dit Thijssens zelfverklaarde kroon op zijn oeuvre zou zijn, en het boek dat hem het meest na aan het hart zou liggen. De eerste 100 pagina's zijn moeilijk te verdragen; in niets laat het boek de eerste helft zien ergens heen te willen, richting te hebben. De schier eindeloze opsomming van feiten en verhalen die een bewijs moeten vormen van het feit dat de hoofdpersoon een oude ziel is zijn oeverloos en gaan vervelen, en komen over als een opgelegd en bedacht vertelinstrument; een truc die niet nodig was geweest als Thijssen zijn hoofdpersoon simpelweg als een oude ziel beschreven had die de fratsen van de mensen om hem heen met een zekere distantie en wijsheid beschreef. Sowieso had het met de helft minder gekund, dan had het verhaal tenminste eerder vaart gekregen. Nu blijft het pagina na pagina anekdotisch en in principe incontinent, in de zin dat Thijssen zich nergens inhoudt, en alles wat hij in zijn blaas heeft maar laat gaan. Dat de schrijver zich hier zelf van bewust is, blijkt op meerdere plekken, zoals uit dit soort zinnen: 'ons familieleven, om maar weer met een nieuw hoofdstuk te beginnen...'. Thijssen voelde zelf kennelijk ook dat wat hij in de eerste 100 pagina's doet iets vrijblijvends heeft, en dat er geen enkele echte noodzaak bestaat om voor het een boven het ander te kiezen, om een nieuw hoofdstuk te beginnen of weg te laten. Kort gezegd: dat hij in principe een beetje aan het ouwehoeren is.
De distantie van de hoofdpersoon is er zeker, trouwens: dit is een boek dat Reve's De Avonden al aankondigt; een ironische, bijtende beschrijving van dat kleingeestige Nederland, waar mensen in huiskamers over elkaar roddelen, families bij elkaar uit de gratie vallen, waarin gesprekken over bruiloften gaan over welk geschenk welke familie zal geven (de moeder wordt zó scherp getekend - als een ondraaglijke vrouw, kleingeestig, manipulatief, met kleine zorgen en badend in zelfmedelijden - dat je het ergste vermoedt voor Thijssen's eigen jeugd); je kunt de zuurstofloze lucht in de huiskamers bijna rúiken. Het sarcasme is te proeven, en het dedain voor zijn familie is immens.
Dit is een boek over een jongetje dat niet meer naar school wil, omdat hij school in zijn hart en ziel al voorbij zou zijn, te oud, te grijs zou zijn, en dat is een charmant gegeven. Ergens zit er ook een element van Salinger in, zoals in The Catcher in the Rye, waarin de 16-jarige verteller voelt dat de wereld die mensen hebben geschapen het hart van kinderen corrumpeert, een lot waar hij de kinderen van wil redden. Dit zie je ook in Thijssens eigen leven terug, waarin hij met elke adem vocht tegen een te star onderwijssysteem dat het kind alle zin om te leren en te ontdekken ontnam.
Tegelijk wil het grijze kind uit dit boek, als het dan eindelijk de kans krijgt om aan te geven wat hij wél zou willen, bij het accountantskantoor van zijn vader aan de slag. Iets burgerlijkers kun je haast niet bedenken voor een jongen van 15, die in één klap wel heel grijs wordt. Ergens lijkt hij zelfs te begrijpen dat zijn 'zeemans-aspiraties' een teken van jeugdigheid zijn, en een fase die mensen doorgaans achter zich laten, om in een minder romantisch, middelmatiger, maar vast niet onaardiger, bestaan te zakken. Zo wordt de jongen in één klap wel héél volwassen. Dat heeft deze lezer pijn gedaan: uit zogenaamde grijsheid alle avonturen en malligheden van jong-zijn overslaan en meteen landen in een baan achter een bureau in een accountantskantoor; je gunt de jongeman wel anders.
Of dit einde (niet meer naar school gaan, maar wel in een accountantskantoor belanden) een geniale filosofische zet is - in de zin dat elk mens zijn eigen imperfectie, middelmatigheid en gewoonheid moet leren accepteren en dat onze Henricus dat kennelijk al op zijn 15e inziet (terwijl hij net nog met zoveel dedain over zijn eigen familie en de Nederlandse huiskamercultuur sprak) - of een wel erg fantasieloos idee van wat leven zou kunnen zijn, daar ben ik niet over uit.
This entire review has been hidden because of spoilers.
Bijtend sarcastisce roman over een jongetje dat opgroeit in een kleinburgerlijk milieu.
De roman begint met een nogal gekunsteld overkomende uiteenzetting van de ik-persoon over vorige levens en dat hij ze weet te herinneren. Deze introductie lijkt alleen maar een excuus voor de scherpe observaties van de verteller als kleine jongen, want het grootste deel van de roman beslaat nogal onsamenhangende sarcastische beschrijvingen van kleinburgerlijk gezinnen en scholen van die tijd. Pas tegen het einde, wanneer de verteller nog langer weigert aan de onzin mee te doen wordt zijn éigen handelen door de introductie verklaard. De verteller hanteert dan net zo'n absurd doorgevoerde onpraktische logica als de personen over wie hij zo bijtend schrijft.
Al met al wat moeizaam leesbare, onevenwichtig en nauwelijks spannend geschreven, maar wel originele roman.