Het boek Ik heb altijd gelijk van Willem Frederik Hermans gaat over Lodewijk Stegman. Het verhaal speelt zich af zowel in het heden als in het verleden, waarbij herinneringen aan zijn kinderjaren een belangrijke rol spelen. Het thema draait om verlies, aanpassing en de zoektocht naar een nieuwe identiteit na de dekolonisatie van Indonesië. Lodewijk verzet zich juist tegen de mensen die altijd gelijk hebben; hij moet echter toegeven dat ze inderdaad gelijk hebben.
Lodewijk heeft moeite om zich opnieuw te vestigen in Nederland. Hij wil geen steun van zijn ouders en zoekt onderdak bij Gertie Riemers, een vrouw die hij heeft ontmoet tijdens zijn terugreis uit Indonesië. De relatie tussen Lodewijk en Gertie, evenals zijn worsteling met zijn onvoltooide studie Indologie, vinden van werk- iets doen- vormen de kern van het verhaal in het heden. De herinneringen aan zijn verleden, waaronder de zelfmoord van zijn zus en de slechte relatie met zijn ouders, vormen de kern van het verleden.
De overgang van koloniaal ambtenaar naar een ontheemde burger in Nederland biedt een rijk kader voor het verkennen van thema's als nostalgie, culturele botsingen en de nasleep van koloniale conflicten. Het verhaal van Lodewijk Stegman lijkt een reflectie te zijn op de bredere historische context van de Nederlandse dekolonisatieperiode en de persoonlijke impact daarvan op individuen die zich in twee werelden bevinden maar nergens echt thuis horen.
Lodewijk, een terugkerende soldaat uit Indonesië, vindt onderdak bij Gertie, een verpleegster die hij op de terugreis ontmoet, en trekt bij haar en haar familie in. In Nederland stort hij zich in “vreugdeloze uitspattingen” en “zinloze ondernemingen”, terwijl hij worstelt met teleurstelling over zijn terugkeer en wraakgevoelens jegens zijn ouders, door wie hij zich achtergesteld voelt. Teleurgesteld over zijn terugkeer uit Indonesië en getergd door wraakgevoelens tegen zijn ouders, raakt Lodewijk steeds meer in de greep van zijn negatieve emoties. Zijn zus pleegde zelfmoord tijdens de capitulatie van Nederland, een trauma dat hij nog steeds niet verwerkt heeft.
Stegman probeert een politieke partij op te richten met zijn oude collega Nico Kervezee, maar wanneer dit mislukt, moet hij een baan zoeken. Hij bezoekt zijn ouders om zijn diploma op te halen en ontdekt krantenknipsels die hem helpen de puzzelstukjes van zijn verknipte leven in elkaar te passen.
De laatste zinnen van het boek laten zien dat Lodewijk zich niet meer met idealen zal bezighouden, maar alleen met dat wat meetbaar is: geld. “Want geld is iets waarvoor meer te krijgen is dan voor wat anders ook. Hij die veel geld heeft, is altijd beter af dan een ander die het niet heeft, doet er niet toe waar hij zich bevindt, in een ziekenhuis, een gevangenis, ja zelfs in het concentratiekamp.” Deze passage onderstreept zijn cynische kijk op het leven en zijn overtuiging dat geld het enige waardevolle is in een verstoorde maatschappij.
Een ander belangrijk thema is het gelijk hebben, in combinatie met het thema altijd tegen de buitenwereld aan te willen schoppen. Lodewijk wil gelijk hebben en probeert hiermee zijn leven te rechtvaardigen. Dit veroorzaakt vele conflicten met de maatschappij en zorgt ervoor dat Lodewijk niet erg kan vorderen in het opbouwen van een nieuw bestaan. Het gelijk hebben neemt voor Lodewijk nogal dwangmatige vormen aan en hierdoor krijgt hij een rare en sombere visie op de wereld, en voornamelijk op Nederland. “Ik wist altijd alles. Ik heb altijd gelijk. Maar als je gelijk hebt, heb je niets. Ik heb veel te lang geleefd! Alleen wie dood is, heeft eindelijk ongelijk. Als je altijd zou blijven leven, komt er altijd weer een ogenblik dat je gelijk hebt. Dat is verdomd vervelend.” Deze citaten illustreren zijn cynische en nihilistische kijk op het leven, waarin gelijk hebben uiteindelijk niets betekent.
Het boek bevat biografische elementen zie zijn werk Fotobiografie uit 1969 (Hermans had weinig vrolijk jeugd; bangelijke moeder; ambitieus vader en laat zijn zus Corry zich door een oudere neef doodschieten).
Ik heb altijd gelijk is een roman die doordrenkt is met scherpe observaties en provocerende uitspraken. Hermans verkent diverse thema's en maakt gebruik van een rijkdom aan kleurrijke taal om zijn personages en hun wereld tot leven te brengen.
Het boek opent met een kritische blik op de Nederlandse koloniale geschiedenis, zoals blijkt uit de uitspraak "300 jaar in Indië" (p. 21). Hermans schildert een beeld van een maatschappij die worstelt met zijn verleden en de nasleep daarvan, waarbij hij ook persoonlijke verhalen verweeft, zoals die over "aardappels die niet gaarkoken" (p. 21) en het gevoel van mislukking en verplichting: "Zij had rijk moeten zijn, zij was toch zeker verplicht te slagen" (p. 49).
De roman neemt ook geen blad voor de mond als het gaat om maatschappelijke kritiek. Hermans schroomt niet om harde oordelen te vellen over verschillende bevolkingsgroepen, zoals de katholieken, die hij beschrijft als "het meest schunnige, belazerde deel van ons volk" (p. 31), die "naaien erop los als konijnen, ratten, vlooien en luizen in Brabant en Limburg" (p. 31). Deze scherpe kritiek op de katholieke gemeenschap komt later opnieuw naar voren met de term "katholieken geitenfokvereniging" (p. 156).
Hermans reflecteert ook op de menselijke ervaring en het omgaan met tegenslagen. Uitspraken zoals "Maar als je gelijk hebt, heb je niets" (p. 85) en "Alleen wie dood is, heeft eindelijk ongelijk" (p. 85) benadrukken de tragische kant van het menselijk bestaan. Hij stelt dat omgaan met mensen een vaardigheid is die men jong moet leren (p. 97), en hij geeft een cynische kijk op idealen, die hij vergelijkt met "de kleuren van een blinde en de oorsuizingen van een stokdove" (p. 223).
Stegeman lijkt vaak vast te zitten in een gevoel van stagnatie en nutteloosheid, zoals blijkt uit de uitspraak "Twaalf jaar voor niets geleefd, twaalf jaar van alles meegemaakt maar geen stap verder gekomen" (p. 244). Hermans' visie op de samenleving is soms zo somber dat hij Nederland omschrijft als "een gaskamer van verveling" (p. 184).
In zijn beschrijvingen gebruikt Hermans ook specifieke en soms archaïsche termen zoals "wangeboorte" (p. 49), "kapotjes" voor condooms (p. 56), en "mokkel" voor vrouw (p. 56). Deze woordkeuze draagt bij aan de scherpe en vaak ruwe toon van het boek.
De roman is doorspekt met anekdotes en herinneringen die mij als lezer een dieper inzicht geven in de personages en hun achtergronden. Zo wordt er verteld over ouders die geen radio wilden hebben (p. 236), over een zus die een collaborerende intellectueel was (p. 167), en over het smokkelen van geld zonder het af te dragen (p. 285).
Ik heb altijd gelijk is een roman die confronteert en uitdaagt, met Hermans' scherpe pen die geen enkel onderwerp spaart. Zijn kritische observaties en unieke woordgebruik maken het tot een klassieker in de Nederlandse literatuur.
Dit boek mondt uit in een rechtszaak vanwege de citaten over de katholieken. Tijdens het proces in 1952 houdt Hermans de rechter voor dat een veroordeling van hem een veroordeling van de literatuur zou betekenen.