Immer noch mein Lieblingsabenteuer, schon wegen der herrlichen DDR-Satire mit dem Galeerenbus, in dem die Passagiere selbst in die Pedale treten müssen. Angeblich so vollständig wie nie, allerdings hatte die Fix-und-Foxi-Version schon damals den langen Anfang, der hier nur drangebatscht ist. Den Stern Abzug gibt es für den anachronistischen Soundtrack, das Hauptärgernis der gesamten Neuauflage, die Dämlichkeit der alten Schlager gab dem Radioprogramm aus der Nase des Kokomiko einen besonderen Witz, aber „Highway to hell“ und „An der Nordseeküste” passen einfach nicht in ein Setting das Komplett in die frühen Sechziger Jahre gehört. Auch sonst geht bei der Neu-Übersetzung viel vom Witz verloren, im Kontext der Zeit, ist es viel witziger und stimmiger, wenn die Handgranaten mit Leipziger Allerlei statt mit schlichten Erbsen und Möhren gefüllt sind. Von daher nur vier Sterne, denn mein Lieblingsabenteuer hat Carlsen gründlich verhunzt.
[Recensie van Album 1-18 (4 Avonturen van Robbedoes... en Kwabbernoot - QRN op Bretzelburg)]
Nadat Rob-Vel de twee personages van Robbedoes en Kwabbernoot in het leven had geblazen, en Jijé het even kort overgenomen had, kwamen de twee in handen van Franquin, een van de grote namen in stripland (zeker van Franstalig België - misschien is hij daar wel de grootste naam?). Zijn periode in de reeks wordt meteen ook beschouwd als het hoogtepunt in de hele reeks. Er zijn momenten waarop ik dat ook heel goed begrijp, en op andere momenten net iets minder. Franquin staat gekend om zijn typische stijl à la School van Marcinelle, en die is wel in alle verhalen min of meer te zien, maar hij doet er helaas erg lang over om tot die stijl te komen. Het is pas in de laatste albums die van zijn hand zijn dat er echt een standaardtekenstijl in zit, de rest is... evolutie. En de eerste albums zijn écht raar. Niks voor mij, in elk geval. Het is natuurlijk normaal dat tekenaars wat in hun stijl moeten komen, maar hier duurt het wel erg lang, en da's nogal jammer. In de eerste albums waar Zwendel in komt (Albums 15 en 16, Z van Zwendel en De Schaduw van Z) is de stijl al duidelijk zichtbaar, maar hij komt eigenlijk pas echt tot uiting in Album 18. En daarna volgde er nog maar één album van Franquin. Die trage evolutie is ook wel te zien in bijvoorbeeld zijn Guust-reeks, maar die ging later van start en daar kwam hij dus wel sneller bij zijn stijl. In de eerste Robbedoes-albums zijn de personages nog lange, stramme bonenstaken - om dan later weer redelijk korte benen te krijgen, eigenlijk. Samen met de tekenstijl zien we ook de schrijfstijl evolueren. Het is pas in zijn latere albums dat Franquin ook in de afbeeldingen en teksten grappige boodschappen gaat verstoppen (bijvoorbeeld in Album 16, waarbij er op de zijkant van een vliegtuig een stippellijn staat met daarnaast, in het heel klein, de tekst 'Knippen langs stippellijn'). Dat soort zaken wordt erg geassocieerd met de hele Dupuis/Franquin-cultuur, maar hier kunnen we dus zien dat 'de meester' dat element zelf pas heel laat begon te ontwikkelen en te gebruiken. Het geeft in elk geval een extra dimensie aan de verhalen! We mogen ook niet vergeten dat deze verhalen uit de jaren 1940, 1950 en 1960 dateren. Dat is eigenlijk sterk zichtbaar in de verhaallijnen en een beetje de manier van spreken (de vertalingen zijn tenslotte even oud). Heel erg veel zaken doen meteen denken aan situaties (en soms echt hele verhaallijnen) uit Piet Pienter en Bert Bibber. Het hele Rommelgem en de personages doen meteen denken aan Warwinkel en consorten uit PP&BB. Er zitten hypnosestralen, antizwaartekrachtmachines en meer tussen. Erg opvallend, en wel een beetje grappig ook. Veel van de albums zijn langer dan we zouden verwachten. Een heel aantal albums zijn 62 à 64 bladzijdes lang, en dan zijn er drie varianten: 1) Eén lang verhaal, 2) Eén verhaal van ongeveer 48 platen en een korter van een stuk of 14 platen, of 3) Twee verhalen van zo'n 32 platen. Soms heeft dat allemaal zijn voordelen, en soms zijn nadelen. Er zitten hier en daar redelijk ingewikkelde plots tussen, en op andere momenten leest het dan weer als een trein. Je weet ook nooit zeker wanneer het nu gaat eindigen, waardoor je soms midden in een album het idee krijgt dat het einde er al zit aan te komen - en dan is dat ook zo. Dat kan soms een beetje verwarrend zijn, maar ja, het is nu eenmaal niet anders. Een bijkomend nadeel (maar ook dit is weer heel subjectief) zijn de lay-outs van de albumcovers, die echt maar zelden bij elkaar passen. Consequentie was duidelijk niet de sterkste kant bij de uitgeverij in die periode, elke cover ziet er weer anders uit: ander lettertype, andere lettergrootte, andere letterkleur, andere plaats... Die woorden apart die in witte balken staan, zijn echt afschuwelijk. Dat is trouwens het geval voor heel de reeks, tot aan Album 33 (Virus), toen Tome en Janry de fakkel overnamen. Bij een volgende druk zouden er wel eens een keer nieuwe covers voorzien mogen worden, zodat alles een beetje bij elkaar past. De verhalen variëren ook een beetje qua kwaliteit. De allereerste hebben een tekenstijl die mij dus totaal niet aanspreekt, maar dat is natuurlijk heel erg persoonlijk. Zo vanaf Album 10 ongeveer begint het beter te gaan. In de tweede helft van zijn periode heeft Franquin wat mij betreft ook inhoudelijk de beste verhalen neergepend. Zo zijn zeker deze het vermelden waard: 12 - Het Nest van de Marsupilami's, 13 - De Bezoeker uit de Oertijd, 15 & 16 (met Zwendel, zie hierboven), en natuurlijk ook 18 - QRN op Bretzelburg. Dat laatste is het eerste waar echt heel zijn stijl doorschemert, op alle vlakken, en wordt als een van de grote in de reeks beschouwd. Te begrijpen ook, want het verhaal is eveneens erg knap gevonden en de titel alleen al is absoluut een van de meest intrigerende in heel stripland. Wat we ook niet mogen vergeten, is dat Franquin vrijwel de hele wereld van Robbedoes en Kwabbernoot geschapen heeft. Hij introduceerde een hele resem personages die jaren later nog steeds te vinden zijn in de reeks: IJzerlijm (die hij zelf eigenlijk nauwelijks gebruikte), de graaf van Rommelgem (en een assortiment aan personages uit zijn omgeving), Wiebeling, Zwendel, in cameo's ook Guust, en bovenal de Marsupilami, die Franquin zelf bijna alle albums gebruikte. Hij tekende zelf nog het dier in Album 20, het eerste album van Fournier, en nam het dier zelf én de rechten erop mee, waardoor het beest ruim veertig jaar niet in de strip aanwezig was. Een groot gemis, want met de Marsupilami is het altijd lachen.
Conclusie: hoewel de tekenstijl bij momenten de pret wel bederft en te wensen over laat, zitten er in de eerste twintig albums zeker een aantal aanraders tussen, vooral naar het einde toe gaat de kwaliteit in stijgende lijn. Bovendien: Rob-Vel en Jijé hebben de wereld Robbedoes en Kwabbernoot gegeven, maar Franquin heeft Robbedoes en Kwabbernoot een wereld gegeven.
Ein Herz und eine Krone (und ein Marsupilami) Ein König ruft um Hilfe - per Radiowellen wird ein kleiner Amateurfunker der letzte Strohhalm, nach dem der König von Bretzelburg, umringt von internen Feinden, noch greifen kann. Spirou und Fantasio werden halb wollend, halb unwillig in die internen Intrigen des militanten Königreichs hineingezogen, und müssen schlimmste Kreide-auf-Tafel-Folter, Nahrungsentzug in einer Fünfsterneküche und andere Gefahren überstehen.
Das königlich-bairische Gamsbarthütchen, König-Ludwig-Uniformen und Pickelhauben machen klar, wo man Bretzelburg lokal verorten muss. Fehlt nur der Dimpflmoser und der Dackel Wasti; das diesmal angenehm nicht alleskönnende Marsupilami und ein ungewohnt wortreicher Spip gleichen das Fehlen des Wastis aber aus. Letztlich ist das Spiel mit den bayrischen Klischees, der allgemeinen Veralberung eines totalitären Systems, Offenlegung des Prinzips des Waffenhandels (verkaufe dem einen, und seinem Feind natürlich auch) und der chaotischen Handlungsweise der Helden ein ausgesprochen gelungenes Stück Satireliteratur, vergoldet mit den unglaublich dynamischen, detaillierten und liebevollen Zeichnungen, wie nur Franquin es konnte.
Ein absolutes Highlight der Comicwelt überhaupt, und ohne Zweifel der mit Abstand beste "Spirou-et-Fantasio"-Band (bisher, obwohl ich nicht glaube, dass das noch steigerbar ist). Die Zusammenarbeit mit Szenarist Greg hat sich ausgezahlt - soviel witzige Nonstop-Action und verrückte Wendungen hat man in einem Comic selten gesehen, und dabei ist alles stimmig und verfällt nicht in den "Lucky-Luke"-Episodismus, in dem ein losgelöster Sketch den nächsten jagt. Besonders krass fällt auf, wie gut dieser Band ist, wenn man den mäßigen Vorgänger als Vergleich heranholt - als wäre es von einem anderen Stern.
Brillant und gleichzeitig unterhaltsam. Wer's nicht kennt, hat was verpasst.
This is a 1976 hardback reprint in French from Dupuis. Originally serialised in 1961 and 1963 (with a big gap in the middle) and published in book form in 1966, this is probably the high point of the series so far. Nevertheless, it had a difficult birth, due to the author’s illness, and the book version is significantly edited from the serialised version. Greg helped Franquin with the story, and an uncredited Jidéhem helped with the art.
Once again Spirou and Fantasio take on petty military dictators and corrupt arms dealers, this time in an alpine setting between a Germanic and an Italic principalities, having become embroiled in a house-arrested king’s attempts to attract the world’s attention to his country’s plight by CB radio. It’s all fairly straightforward, but it is absolutely hilarious throughout. Easily the funniest episode in the series, with laugh out loud gag after laugh out loud gag.
And there’s a lot more (but still very little) female involvement in the story than previous episodes, making for a more realistic world.
Halverwege jaren zestig ging Franquins interesse en liefde steeds meer uit naar zijn anti-held Guust en minder en minder naar Robbedoes en Kwabbernoot. Het zou niet lang duren voordat hij het stokje overdroeg aan Fournier. Wat dat betreft is 'QRN op Bretzelburg' een laatste hoogtepunt in Franquins bijdrage aan de langlopende serie. Hierin komen Franquins anti-militarisme, vertelkunst en humor nog één keer samen voor een sterk avontuur in het fictieve Duitse ministaatje Bretzelburg. De marsupilami speelt andermaal een grote rol en de cast wordt uitgebreid met een heel angstige en tamelijk nutteloze radioamateur.
En uppenbar satir smart tillgängligjord för barn (exempelvis den lite smått geniala tortyrscenen).
Mycket snygg och rolig action.
Jag fascineras av hur väl karaktärerna kommer fram i historien. Dock är själva grundhistorien inte min favorit av Spirou serierna. Den rör sig kring en förtryckt kung i ett litet land (med väldigt tysk utstrålning) och Spirou och Nicke blandas in via en radioamatör.
Men man skrattar till då och då.
Nicke glänser. Den lilla ekorren också. Jag har alltid tyckt att det varit intressant att seriens huvudkaraktär har så pass lite personlighet jämfört med övriga stollar som befolkar serien men detsamma kan man säga om Tintin.
Betyget blir en svag 4:a
På biblioteket finns serien i samlingen Spirou 1961-1968
Det store høydepunktet så langt i denne serien. Alt fungerer. Historien er spennende, bipersonene er minneverdige og gagsene kommer tett, tidvis i hver eneste rute. Etter at Spiralis klarer å svelge en lommeradio, havner våre venner i det politisk ustabile landet Bretzelburg, der de selvsagt havner midt inn i de politiske stridighetene. Bretzelburg har klare paralleller til DDR og miljøet presenteres svært levende. Og først og fremst så mange fantastiske scener. Doktor Kilikils torturmetoder: Kritt og mat - herlig. Buss med pedaler. Og masse annet. En klassiker!
This entire review has been hidden because of spoilers.
Wow! Det kan vel ikke bli så mye bedre enn dette. Artig historie. Noen veldig snodige karakterer her. Synes også Bretzelburg er en av de festligste stedene heltene våre har dratt til. Et skikkelig snodig samfunn. Noen av de beste tegningene til Franquin her.
Lo he leído para recordar, después de leer el último número de la saga, el sabor tan especial de estas aventuras, a medio camino entre el humor negro de Franquin y lo naif de Spirou. Brillante.