Vrouwen in de literatuur (Esther Gerritsen, Roxy)
NRC Handelsblad rapporteerde afgelopen week (18 mei 2018) dat vrouwelijke literaire schrijvers nog steeds ondergewaardeerd worden, maar dat wetenschappelijk onderzoek aantoont dat een hogere waardering van mannelijke schrijvers ongegrond is. Het is een vooroordeel dat vrouwelijke auteurs minder goed zouden zijn in hun vak dan hun mannelijke collega’s.
Nu moet ik ruiterlijk toegeven dat ik zelf ook lang heb gedacht dat mannelijke auteurs betere schrijvers zijn. Eigenlijk wist ik wel dat dit een vooroordeel was, aangezien ik altijd omgeven ben geweest van mannelijke auteurs – Hesse, Hermans, Kafka, Dostojewski, Celine, Houllebecque, Coetzee, Vann, Terrin etc. – en lange tijd gewoon niet in aanraking kwam met vrouwelijke auteurs. En laat ik eerlijk zijn dat de oude vrouwtjes tronie van Hella Haase me nu ook niet aanlokte tot andere gedachten over vrouwelijke auteurs. Toch denk ik, hoewel ik mij zeker niet van seksisme vrij wil pleiten, dat dit vooroordeel langzaamaan tegen de achtergrond verdween toen ik meer vrouwelijke auteurs ging lezen in de loop der jaren. Mijn eerste en lange tijd enige herinnering was Keri Hulme’s Kerewin in mijn jonge jaren, maar via Marguerite Yourcenar, Lidie Salveyre en Ali Smith verschoof het beeld langzaamaan en heb ik vandaag de dag geen enkele reden meer om zo’n vooroordeel in stand te houden. Tegelijkertijd moet ik bekennen dat mijn meeste blogs gaan over romans die door mannelijke auteurs geschreven zijn.
Toen NRC afgelopen vrijdag berichtte over het onderzoek, herlas ik toevallig net Esther Gerritsen’s Roxy. Toch wel hét bewijs van de dag dat vrouwelijke auteurs niet onder doen voor hun mannelijke collega’s, bedacht ik me. Het boek gaat over een jonge zonderlinge vrouw in de rouw – Roxy – nadat haar man samen met zijn minnares verongelukt is. Het boek verhaalt over de gedachtelijnen en spinsels van deze onaangepaste vrouw die tot dan toe alleen maar als ‘normale’ echtgenoot en moeder van haar kind werd gezien omdat haar man al haar eigenaardigheden compenseerde. Ik wantrouw mijn eigen waardering van romans vaak, aangezien ik de neiging heb een roman te waarderen als ik me in de hoofdpersoon herken: “Ook al kunnen ze alle drie in deze zelfde wereld ademen, het blijven vreemden en als vanzelfsprekend liegt ze tegen vreemden. Gewoon zeggen dat ze alles wil behalve weg van haar dochter, haar wakker maken, haar verontrusten, komt niet in haar op” (13). Maar waar ik vroeger misschien gedacht zou kunnen hebben dat mijn waardering voor de roman is ingegeven doordat Roxy denkt en voelt ‘als een vent’ – “Ik moet me afsluiten. Ik schrik ervan als ik een andere man aantrekkelijk vind, ik houd mijn wereld graag overzichtelijk omdat ik niet om kan gaan met onwelkome gevoelens” (39) – ben ik blij te zien dat het recente onderzoek uitwijst dat mannen en vrouwen geen andere stijl van schrijven hanteren noch wezenlijk andere onderwerpen aan de orde stellen. Dus, lieve mannen, lees Roxy en laat je beleren!