“De blijheid ontkiemde als een bloempje in mijn hart.” -p.48
“Wilde ik ons misschien niet terugbrengen naar die pijnlijke, verdrietige jaren? Wilde ik het misschien niet over Djawad hebben, die nu zo’n vijfentwintig jaar in het geheim onder de amandelbomen begraven lag? (...) Waarom vertelde ik niet aan mijn zus dat ik in de afgelopen jaren steeds over hem had gedroomd? Waarom vertelde ik haar niet dat ik in gedachten tientallen keren naar het graf van Djawad in die amandeltuin was gegaan, vooral in de lente, wanneer de witte, roze, zachtrode, zachtgele en zachtpaarse amandelbloesems als een kleed zijn graf bedekten?” -p.55
“Ze was blij, het licht schitterde in haar ogen. Ze leek een meisje dat iets moois achter haar rug verborgen hield. Ik dacht meteen: ze is verliefd.” -p.55
“Ik was ooit haar plaatsvervangende vader geweest. Ze behandelde me nu nog net als vroeger, niet als een oudere broer maar als een vader. Een paar keer wilde ik met mijn hand over haar hoofd strijken. Maar ik durfde niet. Mijn rechterhand was van gietijzer geworden, hij wilde niet bewegen. Godallemachtig, waarom durfde ik het niet? Ik vermande me, tilde mijn hand op, stak hem uit, legde hem zachtjes op haar hoofd en streelde vaderlijk haar lange zwarte haren.” -p.56
“‘Wanneer houden die dromen en fantasieën
bij jullie op,’ hoorde ik haar zeggen, ‘je zus is ook zo, ze is net een slaapwandelaar.’
Ik bleef stil liggen en dacht na. Mijn vrouw zou gelijk kunnen hebben. Mijn zus liep niet gewoon. Ze zweefde. Soms als ze naast me liep had ik het gevoel dat ze opeens zou gaan vliegen.” -p.64
“Ik heb het gevoel dat je gevangenschap door mij kwam, gebaarde ik.
Nee, nee, je mag dit nooit zo zeggen. Het doet me pijn als je zo denkt, gebaarde mijn zus, waardoor er een rilling over mijn rug liep.
‘Het doet mij ook pijn als je me niets over die jaren wilt vertellen. Weer je misschien iets over de dood van Djawad wat ik niet weet? Ik heb er recht op dat te weten. Beperk mijn fantasie, laat me met mijn voeten op de grond staan.’
Ik kon verder niet bedenken wat ze zou zeggen. Ik zette de computer weer uit.” -p.66
“Geluk heeft gewicht, dat heb ik daar ontdekt. Soms wordt het zwaar en kun je het niet dragen.” -p.111
“Ik keek naar mijn moeder. Ze was weg, verdwaald in haar eigen fantasie. Ik hield haar bij haar arm vast om te voorkomen dat ze niet zo ver zou gaan dat ik haar niet meer terug kon halen.” -p.139
“Het verhaal van mijn moeder was anders. Ik merkte dat ze meteen haar rug rechtte. Ze had nooit iets van me gelezen, had me ook nooit gevraagd waar ik over schreef. Ze had alle vertrouwen in mij ongeacht wat ik deed en twijfelde er niet aan dat ik het goed deed. (...) Een andere mogelijkheid was er niet, ik moest goed zijn.” -p.142
“Er schoot me een gedicht van de Belgische dichter Herman de Coninck te binnen:
O, ik weet het niet,
maar besta, wees mooi.
zeg: kijk, een vogel
en leer me de vogel zien
zeg: het leven is een brood
om in te bijten en de appels zien rood
van plezier, en nog, en nog, zeg iets.
leer me huilen en als ik huil
leer me zeggen: het is niets.” -p.151/152
"Ik wilde haar vertellen dat ik al die jaren dat ze in de gevangenis zat niet gelukkig was geweest. Ik wilde haar vertellen dat ik al die jaren niets anders had gedaan dan schrijven, een soort boetedoening om mezelf in balans te brengen. Maar het lukte me niet om het te uiten. Ik wilde zeggen dat ik haar tijdens haar gevangenschap niet kon bezoeken, dat ik niet in staat was om haar te helpen, maar dat ik in een van mijn boeken heb geprobeerd het goed te maken. Ik wilde haar laten weten dat ik haar in mijn boek uit de gevangenis heb bevrijd. Dat ik haar naar de bergen heb laten vluchten. Ik heb haar in de sneeuw naar een grot gestuurd en haar voetsporen in de sneeuw gewist zodat de gevangenisbewakers haar niet terug zouden kunnen vinden. Ik wilde tegen haar zeggen dat ik eerder in die grot brood, dadels en een flesje water en een warme jas voor haar klaar had gelegd. En dat ik haar driehonderd jaar heb laten slapen, net als de mannen van Kahaf in een verhaal uit de Koran." -p.152/153
"Ik hoorde haar neuriën, ik dacht eerst dat ze zomaar iets binnensmonds herhaalde tot ik besefte dat ze woord voor woord en correct een soera, een lang van gedicht van Mohammed, opzegde:
Wanneer de sterren doven,
Wanneer de bergen in beweging komen,
Waneer de wilde beesten bij elkaar worden gebracht,
Wanneer de zeeën ziedend omhoog komen,
Wanneer..." -p.160
"Ik ben geen gelovige, maar ik geloof wel in de bovenaardse kracht van de verbeelding van de mens. En de Kaäba, het Huis van Allah in Mekka, is daar een voorbeeld van. Een Huis voor Iemand die alleen in oude vertellingen en oude teksten leeft. Miljoenen mensen lopen elk jaar om dat Huis heen en roepen 'wahdahu wahdahu wahdahu' voor Hem die niet Thuis is." -p.168
"Het was een zeldzaam moment waarop mijn moeder weg was en mijn zus zwijgend benadrukte dat ze van me hield en me graag mee naar huis wilde nemen. En opeens liep ze met kleren en al de zee in. Ik dacht eerst dat ze haar voeten wilde baden in die goddelijke blauwe zee die tot het vaderland, tot thuis reikte, maar ze ging verder en liep dieper het water in. Ik bleef naar haar kijken, dacht dat ze misschien een stukje ging zwemmen, al kon in onze familie, in onze stad, in ons land haast niemand zwemmen. Ik kon dat vroeger ook niet, in Amsterdam had ik het een beetje geleerd. Dat moest wel, want in Nederland werd je van alle kanten door water bedreigd. Nu kon ik het in ieder geval twintig meter volhouden en ook kon ik op mijn rug een paar minuten blijven drijven. In noodgevallen zou ik me een beetje kunnen redden, meer had ik niet nodig. Zo staande in het zand, kijkend naar mijn zus die steeds verder de zee in ging, kreeg ik opeens het gevoel dat dit zo'n noodgeval was.
'Stop!' riep ik. Maar ze reageerde niet, misschien hoorde ze me niet, net als mijn moeder die onder de dadelboom zat en me ook niet hoorde. 'Stop!' riep ik weer, nog harder. Nee, ze hoorde me niet. Ik had het gevoel dat ze allebei weg waren en me alleen achter hadden gelaten. Met kleren en al, zelfs met mijn schoenen nog aan, rende ik de zee in en probeerde naar mijn zus toe te zwemmen. Maar het leek me onmogelijk om haar te bereiken. God! Waarom deed ze dit, waarom ging ze steeds verder de zee in? Ik zwom en ik keek om naar mijn moeder die als een standbeeld op het kleedje onder de dadelboom zat. Ik kon niet meer, die twintig meter had ik al lang achter me gelaten. Ik draaide me op mijn rug en probeerde te blijven drijven zodat ik straks nog twintig meter zou kunnen zwemmen. Ik zwom weer door, mijn zus was nu een stipje in de verte geworden. Ineens realiseerde ik me wat mijn zus van plan was, ze wilde me mee naar huis nemen. O, terug naar huis. Zo ging het en opeens was er voor mij geen terugkeer mogelijk. Ik moest verder. Nog een stukje van twintig meter en me dan weer op mijn rug draaien om bij te komen. Aan alles kwam toch een einde, ook aan de afstand van de zee die tussen mij en thuis lag." -p.179/180