Inhoudelijk presenteert de schrijver een goed onderbouwd interessant verhaal waar menig lezer veel aan zal hebben. De manier waarop de schrijver zijn theorie presenteert is echter ronduit ongepast. In plaats van de informatie duidelijk uit te leggen hoe zijn theorieën in elkaar zitten aan een geïnteresseerde lezer, plaatst de schrijver zich boven de lezer en collega's uit het psychologisch vakgebied. Complete pagina's worden er besteed aan het opsommen van onterechte, bizarre aannames van schijnbaar achterlijke lezers en collega psychologen die op het meest positieve moment worden omschreven als "onwetend". Wanneer de schrijver duidelijk heeft gemaakt hoe miserabel de wereldbevolking is, blaast hij vanaf zijn hoge toren zijn boodschap de wereld in. Hierbij kleineert de schrijver en passant ook nog even zijn onveilig gehechte patiënten. Hij maakt hen duidelijk dat eigenlijk alle hoop bij voorbaat al verloren is. Zeker als je gedesorganiseerd gehandicapt bent kun je het gevecht net zo staken voordat je begonnen bent, want er is toch maar 20% kans dat het iets uithaalt. Wie toch besluit om te proberen het eigen leven te beteren krijgt het tijdens de therapie nog veel zwaarder te verduren. Zo geeft de schrijver in hoofdstuk 25 toe dat hij zijn patiënten uitlacht en midden in hun gezicht "dom" noemt.
Verder valt het op dat "(H)echt niet" een forse dosis misogynie bevat. In het boek omschrijft de schrijver 5 onveilig gehechte mensen die hij behandeld heeft: 1 vrouw, 3 mannen en van 1 de echtgenoot van 1 van die mannen. De 3 mannen worden omschreven als mannen die karakterfouten hebben, maar die daar op redelijk open en intelligente wijze naar kunnen kijken. De enige gedesorganiseerd gehechte vrouw wordt echter beschreven als iemand die extreem emotioneel raakt van alles wat haar (mannelijk) therapeut haar verteld en daardoor soms zelfs op de rand van de hysterie beland. In detail vertelt de schrijver hoe de vrouw zo overstuur raakte dat ze totaal niets meer kon bevatten en pas na enkele dagen thuis kalmeren in staat was in te zien dat zij overal ongelijk in had en haar (mannelijke) therapeut overal gelijk in had. Dat haar therapeut overal gelijk in heeft, valt echter te betwijfelen aangezien hij haar een paar pagina's verderop een zeer discutabel advies geeft. De vrouw leidt aan anorexia en gaat uit met een man die aangeeft dat hij wil dat ze een kilo aankomt omdat hij dit aesthetisch aantrekkelijker vindt. De therapeut overtuigt de vrouw dat dit een begrijpelijke wens is van de man en drijft haar terug in zijn armen. Je kunt je echter afvragen of dit wel zo'n begrijpelijke wens is van de man. Je zorgen maken om de gezondheid van iemand met anorexia is immers 1 ding, maar eisen stellen aan het uiterlijk van je partner met anorexia op basis van je eigen voorkeuren is in veel gevallen iets heel anders...
Het meest zorgwekkende voorbeeld van misogenie bevindt zich echter in hoofdstuk 25. In dit hoofdstuk wordt het huwelijk van de gedesorganiseerde Bart en de onveilig gehechte Karin besproken, waarbij Bart Karin fysiek mishandeld en mogelijk ook seksueel misbruikt. De schrijver houdt zowel Bart als Karin verantwoordelijk voor deze situatie; Bart moet uiteraard niet slaan, maar als Karin wat assertiever zou zijn dan zou ze niet geslagen worden. Ook verwijt hij Karin dat ze de mishandeling 'laat' gebeuren dankzij haar angstige hechting. Als ze meer voor zichzelf op zou komen, zou het allemaal niet zo uit de hand gelopen zijn. Dit is victim blaming van de bovenste plank. Wanneer er binnen een relatie mishandeling plaats vindt dan is het altijd moeilijk voor de mishandelde partij om weg te gaan uit de situatie. Verbaal misbruik, trauma's, Stockholm syndroom, het zijn allemaal zaken die weggaan onmogelijk kunnen maken. En dit heeft dus niets te maken met assertiviteit. Ook is er in geval van mishandeling maar 1 verantwoordelijke en dat is degene die mishandeld. Dat een professionele therapeut in 21e eeuw nog durft te beweren dat het slachtoffer geweld 'laat' gebeuren is op z'n zachtst gezegd een schande.