What do you think?
Rate this book


127 pages, Unknown Binding
First published January 1, 1951
Volledige werken fascineerden mij in mijn jeugd. Ik wist wel dat ik ze nooit volledig zou lezen, maar ik had het gevoel dat het bezit van die tien deeltjes, onooglijk gedrukt op vergeeld en broos papier, mij als het ware Goethe als gevangene zou overleveren. Niets van de grote man zou mij ontsnappen; geen meesterwerk, geen tirade, zelfs geen snipper van zijn wezen en zijn talent: der ganze Goethe. In geen taal kon men het beter zeggen. De hele Vondel zou gek hebben geklonken. Der ganze Goethe had een edele klank.
Na een tijd stond ik op en zei tot Carla: ‘Ik zal in mijn leven geen onedele daad meer doen.’ Mijn woorden hoorde ik klinken, alsof een ander ze sprak. Maar ik besefte dat wat ik zei, een eed was, zwaarder dan die welke de Grieken uitten bij Zeus of bij de duistere onderwereld. En dat ik op dit moment over de rest van mijn leven, wellicht vermetel, besliste.
De radio had toen het huiselijk leven nog niet vernield en wanneer muziek weerklonk, wist men dat er een feest aan de gang was of dat brooddronken kerels hun baldadige gedragingen en hun schaamte daarover in lawaai trachtten te smoren. Hoe zullen wij ooit het rustige ritme onzer jeugd terugvinden in de kakofonie van onze huidige wereld?
In het gasthuis had ik slechts twee vrienden, eenvoudige jongens die mij vroegen hun minnebrieven op te stellen en die mij soms, waar mijn kennis en ervaring tekortschoten, hun eigen woordenkeus voorschreven om hun denkbeelden te vertolken. Prosper van Willebroeck was wel tevreden over mijn lyrische ontboezemingen, maar eiste dat ik als postscriptum zou toevoegen: ‘We zullen een promenade pakken langs de boskant en ge zult het u niet beklagen.’ Dat, zei Prosper, zal ze heel goed verstaan. Hij bekeek mij wat meelijdend toen hij me dit dicteerde, zodat ik ten slotte zijn bedoeling wel moest begrijpen.
Onze weldoorvoede burgers menen dat Rubens een canon heeft vastgelegd waarvan zij niet mogen afwijken en, indien deze stelregels achter een toonbank en bij een jeugdige waardin van toepassing kunnen zijn, zo verwekken zij stellig rampen wanneer men te doen heeft met rijpere vrouwen wier vormen reeds onvast zijn geworden.
Wij zagen echter met misprijzen neer op de dikke, gedecolleteerde dames in de zaal, die met hun hamachtige armen soms de indruk gaven dat zij omgekeerd in hun stoelen zaten. Onze enige ergernis in de nok van de Opera waren de echte muziekkenners, die op de partituur elke noot volgden en soms, al fluisterend, druk commentaar leverden bij de vertolking of over een of andere hebbelijkheid van de orkestmeester. Hoe klein leek ons deze pedanterie, die de betekenis van wat zich op het toneel afspeelde terugbracht tot de proportie van een halve noot of van een sleutel. Agnes en ik waren samen niet in staat de gewoonste wijs van het blad af te lezen. Wij wisten alleen dat de noten op en af liepen; maar het pedante genoegen van onze buren, omdat een Wagnermotief na een uur terugkeerde in gewijzigde vorm, vonden wij potsierlijk en ergerlijk.
Tussort die, gezien zijn overdreven slemppartijen, geen toekomst had in het leger, concentreerde zich op de drank en de erotische literatuur. Terwijl mijn collega's en ik in de sombere achterplaats van het oude privé-hotel werkten, zat hij in de belendende veranda en keek aandachtig naar de haan en de kippen van de portier, die in de tuin rondliepen. Naar mijn beste weten is Tussort de enige natuurvorser, die ooit de familiale bedrijvigheid van de haan in strikt wetenschappelijke tabellen heeft weergegeven. De indrukwekkende totalen werden met eerbied door hem zelf en door mijn collega's van commentaar voorzien.
Haast elke dag schreef ik aan Agnes en zij antwoordde mij regelmatig, doch ik was niet bij machte mijn gevoelens voor haar op papier te brengen. Ik vertelde alleen wat er rond mij omging. Ik verzweeg de ergerlijke taferelen, die ik met ontsteltenis soms moest bijwonen, de obscene taal van mijn gezellen, de atmosfeer van hoererij en dronkenschap in het dorpje bij het legerkamp, al die vieselijkheid die op mij aanstormde en mij met afschuw vervulde. Ik was nooit voorbereid geweest op een taalgebruik waarin de mannelijke en vrouwelijke geslachtsdelen als enig beeld fungeren, noch op de kleverige gedragingen van een paar homoseksuelen, noch op de kennismaking met een groep lijders aan venerische ziekten in allerlei stadia, die ik elke dag met de dokter moest bezoeken en die de eenvoudigste wetten der zindelijkheid verwaarloosden. Toen mij op een zondag de wacht was toevertrouwd, vond ik ze geposteerd rond de beduimelde ramen van de zaal waar een zieke gevangene verbleef.
Men had hem toegelaten het bezoek van zijn vrouw te ontvangen en zij hadden zich voorgesteld dat hij van zijn eenzaamheid met haar gebruik zou maken. Ik vond ze, een tiental, elk geknield voor een raam, diep ontgoocheld omdat de man niets anders deed dan zijn vrouw bij de hand houden en praten. Toen ik ze wegjoeg, naar hun eigen zaal, overlaadden ze mij met vuilbekkerij. Van dat alles zei ik aan Agnes niets en zelf ondervond ik dit bad van rauwe dierlijkheid niet als iets dat mij persoonlijk raakte. Het bevreemdde mij, het ergerde mij wanneer ik er op een of andere wijze bij betrokken werd. En ik moest gedurig vechten tegen de indruk dat, wat ik voor mezelf in edele woorden verheerlijkt had als ‘het volk’, niets anders was dan een bende smeerlappen die aan niets anders dachten dan aan de platste en meest smakeloze grofheden. Ik ontmoette hier jongens van mijn leeftijd voor wie het mechanisch geslachtsleven blijkbaar de enige bestaansreden was, die van hun verlofdagen terugkwamen met trotse verhalen over hun verrichtingen op dat gebied en die hun dagen en een deel van hun nachten doorbrachten met doodernstig te discussiëren over het record dat in die zaken te bereiken was. Om geld of toekomst schenen zij zich niet te bekommeren. Het enige wat in hun leven telde waren hun erotische avonturen. Zij die bij nacht een zaaduitstorting hadden, stonden in de morgen wanneer zij hun bed opmaakten geërgerd te vloeken, alsof hun een fortuin was ontsnapt.