De wereld gaat aan vlijt ten onder is de titel en het uitgangspunt van deze geestige roman. Het is óók de overtuiging van de hoofdpersoon in dit boek, de beminnelijke, zwerflustige barkeeper Alec J. Weatherwood, die op gezette tijden pleegt op te duiken in het eens zo rustige Oaklake. Maar Oaklake is in de loop der jaren uitgegroeid tot een researchcentrum een van die plekken op aarde waar men hard werkt aan de ontwikkeling van middelen die de mens in staat moeten stellen nog harder te werken. Dat is, natuurlijk, een streven dat niet op de steun of sympathie van Alec J. Weatherwood hoeft te rekenen, maar waarin hij tegen wil en dank wordt betrokken. Onnodig te zeggen dat hij uiteindelijk als overwinnaar uit het strijdperk treedt opmerkelijker is het dat hij, zijn overtuiging getrouw, met een minimum aan inspanning zijn gelijk bevestigd ziet. De wereld gaat aan vlijt ten onder is een boek dat, met gepaste luidheid en bescheiden vlijt gelezen, een van uw rijkste ervaringen zal blijken te zijn.
Naar mijn weinigzeggende mening is De wereld gaat aan vlijt ten onder de mooiste titel uit de Nederlandstalige literatuur. Weinigzeggend niet enkel omdat het slechts één mening betreft en het de mijne is, maar ook omdat ik me nauwelijks heb verdiept in de vaderlandse canon. Als er al specifieke redenen zijn aan te wijzen die mij ervan hebben weerhouden mijn boeken dichter bij huis te zoeken, dan is één daarvan wellicht de hoogdraverigheid en vooral pedantigheid in de Nederlandse letteren. Die eerste is waarschijnlijk in elk land wel te vinden. De tweede wellicht ook, maar ik kan me moeilijk voorstellen dat andere literaturen ook zo bol staan van de polemiek, van kinderachtige stemmingmakerij.
Ik schrijf al dit omdat dit boek daarvan het tegenovergestelde lijkt. Volgens Wikipedia was Max Dendermonde een “broodschrijver”: hij schreef om elke avond weer eten op z'n bord te hebben, en hij schreef net zo lief bedrijfsbrochures als romans. Dendermonde was een pseudoniem, en de schrijver koos de naam van deze Vlaamse plaats omdat het hem klonk als “denderen over le monde” - “Ik ben altijd een zwerver geweest,” schijnt hij zelf te hebben gezegd. (U ziet, wellicht, dat deze recensent in zijn onderzoek ook niet veel verder komt dan de Wikipedia-pagina.)
Met die achtergrondinformatie op zak wordt het onmogelijk de hoofdpersoon van dit boek, Alec Weatherwood, te zien als iets anders dan een slecht vermomde versie van de schrijver zelf. Weatherwood's karakter is, los van in zijn gevleugelde uitspraak in de titel, wellicht het best samen te vatten in deze prachtige mijmering over zijn werkvooruitzichten: “Een mooie baan dacht hij, kampleider, maar dan alléén buiten het vakantieseizoen, in een volstrekt leeg kamp.” Maar wat Weatherwood onderscheidt van de karakteristieke lamzak die zijn leven vergooit, is dat zijn hele houding geen farce is; het is niet alsof zijn luiheid enige diepgewortelde ambities en aspiraties in de weg zit. Die ambities zijn juist precies het probleem. De vraag “wil je dan echt niet iets meer zijn” dan dít – whatever dit is – pareert hij met: “Daar ben ik juist erg tegen. Dat geeft zoveel narigheid. Miljoenen mensen die allemaal meer willen wezen dan miljoenen mensen.” Dat, en niets anders, is natuurlijk de oorsprong van al die woordenwisselingen in de Nederlandse literatuur. Botsende ego's.
Uiteraard moet Alec's excentrieke levensfilosofie worden aangezet door middel van contrast. Een groot deel van dit boek speelt zich af in een groot wetenschappelijk centrum ergens in Vermont – maar het is wellicht het makkelijkst te beschrijven door te zeggen dat het een soort Silicon Valley betreft. Ze doen onderzoek naar teleportatie, bouwen een camera die zowel de wereld als de ruimte kan bespeuren, ontwikkelen automatische vertaaltechnologie; dat soort dingen. Wat de wetenschappers kenmerkt is, behalve hun intelligentie, vooral de enorme geestdrift – laten we het vlijt noemen – die ze voortdrijft. Het betreft hier specifiek een familie van genieën, en deze intrafamiliële competitie lijkt de hele boel nog verder op te fokken.
Ooit in een aflevering van VPRO's Tegenlicht over de Silicon Valley-cultuur hoorde ik iemand opmerken: deze entrepreneurs zijn bezig een utopische wereld te creëren waarin de computers alles doen, een luilekkerland zonder pijn, een plek waar alles vanzelf gaat. Maar kunnen deze bij uitstek gedreven, op progressie beluste mensen wel leven in de utopie die ze zelf voor ogen hebben? Het antwoord laat zichzelf raden. Een ietwat vergelijkbare opmerking maakt Joan, een van Alec's weinige sympathisanten, in dit boek: “Ze leven of er geen dood bestaat, of ze over honderd of tweehonderd jaar wel de tijd zullen vinden om even uit te rusten, om een paar dagen in bed te blijven liggen bij hun vrouw en eens wat te praten, zomaar doodgewoon te praten.” Alec voegt daaraan toe: “[W]at was de winst van al dat harde werk? Was die winst een menselijke vrijheid in de uren van hun vrije tijd? Bestónd er voor hen vrije tijd, tijd waarin ze werkelijk vrij waren?”
Je zou zomaar eens de hypothese kunnen formuleren dat dit slag mensen (en we hebben het hier, denk ik zomaar, over een meerderheid van de samenleving) zo hard werkt juist precies omdat zij niet weten hoe te genieten. “Je leest toch niet altijd voor je plezier,” vraagt één van de vlijtigen zich op een gegeven moment af (“naïef”, voegt onze schrijver er aan toe). “Voor goeie boeken moet je je juist moeite geven.” Alec's antwoord is, naar weeral mijn bescheiden mening, onmetelijk wijs: “Natuurlijk! De moeite van het plezier.”
De moeite van het plezier. Hier in Nederland spreken we van onze Calvinistische inslag: het leven moet een simpele zwarte koffie zijn met niks erin, enkel wat vleugjes frictie zo nu en dan, zodat het de morele les is die het moet zijn. Maar in Amerika, het land van Starbucks koffie, en het land waar dit boek zich afspeelt, heb ik het idee dat het spectrum tussen de Alec's en de vlijtigen van de wereld wat groter is. Misschien wel gewoon omdat het land groter is. Dit boek begint met een autorit van staat naar staat. Alec en zijn kompaan rijden zo door de leegte van het land de leegte van de tijd binnen. Mocht het je liggen, dan krijgt lanterfanterie hier ruim baan.
Dendermonde is ongetwijfeld niet één van de beste schrijvers die we hier hebben. Maar ook dat past eigenlijk perfect. De zinnen ogen lui, het plot schuifelt van voorspelbaar naar onwaarschijnlijk, en raakt maar zelden de juiste noot in het midden. Dendermonde's proza is onopvallend, degelijk op het saaie af. Je zou dat als pedestrian kunnen vertalen in Dendermonde's geliefde Engels; zijn we toch weer terug bij dat zwerven. Alec vertelt ergens dat in elk van zijn dromen hij simpelweg loopt, ergens heen, maar niet precies wetend waar, en uiteraard nooit ergens aankomend. “Zomaar een beetje leven.” Makkelijker gezegd dan gedaan.
Of, beter nog wellicht: makkelijker gezegd dan niet gedaan.
3.5 Aardig verhaaltje, leuk verteld maar zakt na 100 blz wat in met de niet zo boeiende affaire tussen Alec en Helen. Het einde is weer leuker. Opvallend zijn de originele en rake vergelijkingen die de auteur af en toe gebruikt.
Ik heb dit boek op de middelbare school gelezen en was er toen erg enthousiast over. Nu (50 jaar later) was mijn indruk een stuk minder gunstig. Ik vond het soms zelfs saai. Waarschijnlijk is het langzamerhand wat gedateerd. En waarschijnlijk leven we nu in de tijd die door de hoofdpersoon zo verafschuwd wordt. Het boek moet het met drie sterren van mij doen, en dat is dan een gemiddelde van 50 jaar geleden en nu. Anders waren het misschien twee sterren geworden. Of heeft dit boek weer eens bevestigd dat ik nooit een liefhebber van Nederlandse literatuur geweest ben?
Verrassend leuk boek. Standaard boek voor leeslijsten middelbare school. Eigenlijk nog best actueel. Hoofdpersoon is Alec J Weatherwood. Hij verdient wat geld als barkeeper en als hulpje bij lezingen. Jaarlijks keert hij terug naar Oaklake om de winter door te brengen. Dit gebied wordt opgekocht door de familie Poukofsky, geleerden die de mensheid vooruit willen helpen. Alec wordt verliefd op dr Helen Poukofsky en raakt bevriend met haar schoonzus Joan. Helen is ook verliefd op Alec, maar de verschillende levensinstellingen zijn zo groot dat ze elkaar negatief beïnvloeden. Verhaal speelt over periode van 2 a 3 jaar, waarin ook de familie Poukofsky steeds meer uit elkaar valt omdat ze zelf steeds minder geloven in de waarde van de ontdekkingen waar ze aan werken. Ultieme onderzoek is dat voorwerpen en ook levende wezens van de ene plek naar de andere kunnen worden overgestraald. In de kern gaat het boek over waar je gelukkig van wordt; geld, vooruitgang of vriendschap en liefde.
‘Tijd winnen, tijd winnen. En waar bleef de tijd? Nergens bleef de tijd, en er was niets gewonnen, alles verloren.’ #DeZinVanHetBoek #TheEssenceOfTheBook
Ooit las ik dit voor school. Toen vond ik het rete interessant. Dit keer: mwah. Wel interessant zijn Dendermonde's vooruitwijzingen naar de toekomst / ons heden: een vertaalmachine, surveillance, zelfs een soort van transhumanisme (die hij alle tamelijk kritiekloos oplepelt). Wat me aanspreekt, is de kritiek op een maatschappij die is gericht op 'sneller, meer, harder'. Maar de uitwerking is oppervlakkig, en de hoofdpersoon blijft in zijn eigen gelijk hangen.
Dit mooie voorbeeld van Nederlandstalige science fiction geeft niet zozeer een beeld van de toekomst, maar meer een beeld van zijn eigen tijd, de jaren 50. Met interessante uitvindingen en realistische karakters weet Dendermonde vraagstukken op te werpen over het nut van vooruitgang en de bijbehorende drukte en stress. Verliezen we niet onze menselijkheid en ons geluk door steeds effectiever te werken, tot de mensheid gereduceerd is tot een soort robotmieren? Nog steeds relevant en tegelijkertijd heerlijk jaren 50.
Dendermonde schreef het boek in 1966. Als je het nu, 56 jaar later, leest, had de schrijver best een vooruitziende blik. Het boek doet nergens gedateerd aan en leest lekker.
Geestig en over het algemeen zeer onderhoudend (het middenstuk kakte wat in), met actuele filosofische ideeën en een (voor de Nederlandstalige literatuur) zeldzaam originele sf-twist. En naar mijn bescheiden mening sowieso een van de beste titels ooit!
Een heerlijk rustig boek. Volledig in thema neemt het zijn tijd met het verhaal. Zo dusdanig dat het ondanks de relatief lage hoeveelheid bladzijdes nog steeds aanvoelt als een levensverhaal. Pagina voor pagina zet het concepten op om er later mee te spelen. Van de persoonlijke filosofien van de personages tot de wetenschappelijke ontwikkelingen die het een sci-fi tintje geven. Sci-fi wil ik het niet noemen, ondanks de aanwezigheid van teleportatie, alziend ogen en buitenaardse wezens, vooral omdat dat die dingen pas later komen. Het filosoferen is waar het uiteindelijk om gaat. Dat is natuurlijk ook een belangrijk onderdeel van science fiction, maar daar begin ik maar niet over.
This entire review has been hidden because of spoilers.