Met deze woorden begint De Mensheid zij geprezen, een verdedigingsrede en tegelijkertijd een loflied op een schepsel dat maar al te vaak door het slijk is gehaald. Zoals Erasmus de Zotheid opvoert om en loflied te zingen op haarzelf en haar hogepriesters, zo laat Grunberg een mens aan het woord die een loflied zingt op zijn soortgenoten en ze in be-scherming neemt tegen de azijn-pissers die met hun zogenaamd onsterfelijke werken in de getuigenbank zitten en aanklagen.
Met overtuigende argumenten weerlegt deze advocaat de verklaringen hij dat zijn client feitelijk een marionet is.
In zijn bevlogen redevoering toont hij aan dat wellust, be-geerte, haat, manipulatie en wreedheid ten onrechte een slechte naam hebben, en dat ze juist voor veel goeds en moois hebben gezorgd. Als je moet kiezen of je God, de appel, Eva of de slang bent, kun je maar beter de slang zijn.
Eindelijk wordt iemand aan het woord gelaten die de leugens en de laster over de mensheid durft te bestrijden, die oprecht het beste met de mensheid voor-heeft. Wie De Mensheid zij geprezen heeft gelezen ziet de wereld zoals ze is als een schitteren- de poppenkast.
'Een sardonisch loflied op de grote sukkel mens' Vrij Nederland
'Zijn scherpste en geestigste boek tot nu toe' Trouw
'Even virtuoos als hilarisch' De Groene Amsterdammer
'[Grunberg] toont zich zo moge-lijk een nog groter goochelaar dan Erasmus. Net als je denkt dat je hem door hebt, vraag je je af of hij je niet op het verkeerde been heeft gezet.' Het Parool
Arnon Grunberg (1971) is een veelgeprezen en veelvuldig be-kroond schrijver. Voor De asielzoe-ker (Nijgh & Van Ditmar) kreeg hij zowel de F. Bordewijkprijs als de AKO-literatuurprijs. Bij Athenaeum-Polak & Van Gennep verscheen in 2005 de Grunbergbij-bel. Vo
Arnon Yasha Yves (Arnon) Grunberg is a Dutch writer. Some of his books were written using the heteronym Marek van der Jagt.
In 1989 Grunberg made his acting debut in Maria's Cunt (de Kut van Maria); a short film by Dutch enfant terrible filmmaker Cyrus Frisch.
Grunberg made his literary debut in 1994 with the novel Blauwe maandagen (Blue Mondays), which won the Dutch prize for the best debut novel that year. In 2000, under the heteronym Marek van der Jagt, he won the best debut prize again for his novel De geschiedenis van mijn kaalheid (The History of My Baldness).
Grunberg publishes novels about once a year but also writes columns and essays in a wide variety of Dutch and international newspapers and magazines. He does not restrict himself only to the written media, but also reads a story for the radio every week and for some time he was host of a cultural television program. He also writes a blog for the literary Internet magazine Words Without Borders and his own site ArnonGrunberg.com.
His novel Tirza won the Dutch Golden Owl Prize for Literature and the Libris Prize.[1] His books have been translated into many languages, including English, German, Japanese and Georgian.
From 2006 Grunberg wrote various journalistic reports, for example about working undercover in a Bavarian hotel and his visit to Guantánamo Bay. Also he visited the Dutch troops in Afghanistan and the US Army in Iraq. In 2009 these reports were collected in the book Chambermaids and Soldiers.
Het zal nooit wat worden tussen mij en Grunberg, dat had ik al langer door. Dit boekje bevestigt dat alleen maar. Let wel: het is best vernuftig geschreven, met tal van retorische hoogstandjes. Maar deze "lof der mensheid", naar analogie met Erasmus, getuigt van zoveel sarcasme en misantropie dat ik er misselijk van word. Wellicht ben ik een van die arme, naïeve, misleide zielen die Grunberg zo treffend beschrijft.
Ik ben hier sinds de start van vorig academisch jaar af en aan mee bezig geweest en om heel eerlijk te zijn heb ik te weinig onthouden om er iets fatsoenlijks over te kunnen schrijven, maar het kent ongetwijfeld een enorm intrigerend perspectief op de mens(elijkheid).
"Omdat de logica, hoe onwrikbaar ze ook mag lijken, niet standhoudt tegen een mens die wil leven." (p.83)
"Om te leven is het beter niet alles te weten." (p.131)
"Ze begrepen het spel niet. Of beter gezegd, ze begrepen niet dat de spelregels niet vastliggen. [...] Het spel gaat er juist om de regels zo te interpreteren dat men kan winnen." (p.135)
Ik weet niet of ik nog objectief verhalen/boeken van Grunberg kan beoordelen want ik ben een fan. Ook om deze lofzang heb ik hardop gelachen. Grunberg weet mij altijd te raken met zijn directe manier van schrijven; hij zoekt ook hier de grens op van het absurde. Een lofzang voor en tegelijk ook tegen de mens(heid). Ik houd ervan.
Enkele stukjes ter lering en vermaak:
De liefde, het paracetamolletje onder de medicijnen die de mens krijgt toegediend. Te pas en te onpas genomen, wordt zij bejubeld als de oplossing voor alles, het hoogste en het mooiste. Vergeten wordt dat het om een ordinaire pijnstiller gaat, die de pijn wel even wegneemt, maar nooit de oorzaken (53).
Om te leven, om zijn rol zo effectief en geloofwaardig mogelijk te spelen, heeft mijn marionet, de mens, geen andere keus dan te doen alsof er geen poppenspeler is. Hij veinst met overgave dat hij een autonoom handelend wezen is, alsof hij zelf aan alle touwtjes trekt (75).
"Geen beest is zo belasterd als de mens.", kernachtige openingszin. Waarna de ik-verteller (= advocaat Grunberg) diens verdediging opneemt. Analoog aan & ook structureel verwijzend naar Erasmus' Lof der Zotheid.
Ook te lezen als "Geen beest is zo belast als de mens". Verdediging van de mens (= mijn cliënt) nu, ontdaan van al zijn grootsheid. Is het misantropie of door en door eerlijk zijn ? De zwaartekracht in zijn mensbeeld weegt wel erg door, geen kans op ontsnapping of ontstijgen. Genadeloos.
Zelfbevraging, ook etalage van kennis van filosofie, literatuur, film . Maakt het minder coherent, maar dat ligt natuurlijk ook aan mijn mindere belezenheid en cultuurkennis...
Essentieel gaat het wel om hoe je je tegenover die menselijke conditie stelt, interessant & moeilijk om daarop antwoord te geven.
Grunberg p. 113 : "Nooteboom laat in 'Rituelen' Taads jr tegen Inni Wintrop zeggen: 'Ik wil af van het ding dat ik ben'. Hier zegt Nooteboom iets wezenlijks over mijn cliënt. Mijn marionet wil en wilde af van het ding dat hij is. Er zijn vele manieren om van dat ding af te komen." Afzondering, het geluk vinden in het vergeten van jezelf, in een onzichtbare wereld, en die boven de zichtbare stellen is de keus van Nootebooms monnikfiguur. Grunberg poneert hiertegenover deze (zijn?) keuze : (p. 114) "... [Er zijn] goede redenen de zichtbare wereld te prefereren boven de onzichtbare. En te beseffen dat in de zichtbare wereld pijn geruild kan worden tegen genot. Zo kom je ook af van het ding dat je bent. Door de enige ruilhandel te drijven die er op deze wereld te drijven valt."... "Wie af wil van het ding dat hij is, heeft geen andere keus: erkennen dat het er slechts om gaat HET SPEL ZO GOED MOGELIJK TE SPELEN."
Ijdelheid bijvoorbeeld helpt. p. 112 : "Wie iets wil doen, wie iets wil verrichten, wie het wil opnemen tegen de Grote Poppenspeler, kan niet zonder ijdelheid. "
Illusievrij spel in de (overigens schitterende) poppenkast dus. p. 115 "Wie rechtvaardigheid verwacht of daarop rekent, zal bekocht uitkomen. ... Wie op rechtvaardigheid rekent, begrijpt deze poppenkast niet, of wil haar niet begrijpen. Het wezen van de poppenkast is dat sterkeren sterker zijn ten koste van zwakkeren. Die zich in zeldzame gevallen wel kunnen herstellen en op hun beurt weer sterker kunnen zijn ten koste van zwakkeren, maar daar gaat het niet om. Alle pogingen om daaraan een einde te maken, hebben de sterkeren sterker gemaakt.".
Dit over alle tijden en gezintes heen. p. 113 : "... Het Koninkrijk van het Kruis -en er zijn vele koninkrijken met vele soorten kruisen, halvemanen, davidsterren, noem maar op, maar eigenlijk zijn het allemaal kruisen. En allemaal koninkrijken die ons willen wijsmaken dat de ziel gebukt gaat onder het lichaam. Dat het onzichtbare gebukt gaat onder het zichtbare, dat het spirituele en het hogere lijden aan het stoffelijke. Het is omgekeerd. Ons lichaam lijdt onder dat wat ons op de markt verkocht wordt als ziel. Die rotte tomaat.".
La vita è bella qua. Niet mijn ding, ik weiger en steiger toch.
Wat is de beste verdediging? Nou gewoon, alles toegeven en de ander ervan overtuigen dat je er niks aan kan doen, omdat je nu eenmaal mens bent, gedreven door de zucht naar genot en zonder vrije wil. Heerlijk relativerend boek, wordt een mens weer blij van. Waarom moet ik toch zo lachen om dit boek met zijn baldadige stortvloed van smerigheden? Mogelijk ging het met mij al mis bij Ome Willem met zijn verwerpelijke broodje poep.... of later bij Rembo en Rembo.... of zal ik het maar afschuiven op de Grote Poppenspeler? Hoe dan ook, ik kan het nu eenmaal niet helpen :)
Toen ik dit boek in de winkel zag liggen, was ik geïntrigeerd. De eerste tien bladzijden vond ik briljant, maar al snel stokte mijn motivatie om verder te lezen. Ik wilde het regelmatig weer oppakken, maar kwam dan niet verder dan 2-3 hoofdstukken per keer. Halverwege werd het deprimerend en de laatste helft heb ik me er amper doorheen geworsteld.
Thematisch heeft het potentie, maar daar blijft het bij.
Tweede keer met frisse moed aan begonnen en tweede keer in opperste verwarring gestopt. Ik geraak er niet door. Ik kan Grunberg niet volgen. Begrijp niet waar hij naartoe wil. Met zijn stijl is niets mis en op zich vind ik hem best een goede schrijver, lol, maar hij ligt me niet. Had ik al gemerkt bij ander werk van hem. Dan liever een nieuw boek dat me wél aanspreekt, een andere schrijver die mijn hart wél beroert.
Apologie van de mens. Een razend snelle verdedigingsrede. Een pleidooi voor wellust, haat, geweld, corruptie en alles wat 'het leven mooi maakt'. 'Als u iemand tegenkomt die niet gehaat is, kunt u er zeker van zijn dat hij niets te vertellen heeft'.
De manier van schrijven blijkt niet de manier te zijn die ik leuk vind om te lezen. Ik heb het met moeite uit gelezen, omdat het zo'n dun boekje was.
Het geeft een kijk op de mensheid die je tot denken aan kan sporen, ik denk echter dat er boeken zijn die dit op een leukere en krachtigere manier doen.
It's good to see that prize-winning books are not always novels. At least, this one is not. It feels more like a compilation of column reviews, with its references not only to philosophy, canonical literature, but also to popular culture, which has somehow become more and more important to make one's point attractive to the general public. I haven't read the Erasmus original to which this book alludes and would like to find out more.
To some extent, this book is more like an outline that Grunberg would refer to while thinking about his own writing. Philosophical investigations of questions and issues that stand central to his works, such as the meaning of being, self-deceit, living through others etc. keep coming back to haunt as if the author's imagination would fall short if he dares to jump out of this box. I'm not saying that these are questions with easy answers; as a matter of fact, these questions are exhaustible and they deserve all our attention as we tend to forget them so often (that every now and then it becomes handy and necessary to wake up the great Heideggerian spirit). But it makes me wonder if Grunberg still has other tricks up to his sleeves, or maybe it's time for me to move on.
Zeker heel kunstig geschreven maar ik bleef toch vooral achter met veel verwarring en als ik het boek weglegde miste ik dat gevoel dat ik niet kon wachten om verder te lezen. Interessant dus vanwege het onderwerp en taalgebruik, maar niet een boek dat ik van harte aanraad.