Meer dan een halve eeuw is er over de Tweede Wereldoorlog in termen van 'goed' en 'fout' gedacht. In Grijs verleden betoogt schrijver en historicus Chris van der Heijden dat de situatie destijds heel wat minder duidelijk was dan tot nu toe gedacht werd. De tegenpolen goed en fout hebben tijdens de oorlog zeker bestaan, maar de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking modderde aan in een grijs gebied waar niet een morele keuze, maar toeval, omstandigheden en klein opportunisme de posities bepaalden.
Eind oktober promoveerde Chris van der Heijden, hij van het spraakmakende Grijs Verleden (2001) aan de Universiteit van Amsterdam op een studie naar de ontwikkeling van beeldvorming over de Tweede Wereldoorlog in de publieke opinie. Een dergelijk overzicht was niet eerder geschreven en Van der Heijden legt in ruim negenhonderd pagina's een kluif neer waar historici zich de komende jaren in kunnen vastbijten. Een indrukwekkende prestatie zou je zeggen. Desondanks worden Dat nooit meer en zijn auteur opnieuw achtervolgd door controverses. Hoe terecht is dat eigenlijk? Door bart van den bosch.
N.B. Zie ook onze voorpublicatie van dit boek in de Nacht.
Chris van der Heijden pleitte in zijn essayistische Grijs Verleden, in navolging van Hans Bloms inaugurele oproep uit 1983, voor het loslaten van het allesoverheersende goed-foutperspectief waar het geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog betrof, voor een nuancering van de morele beoordeling van de periode '40-'45 in Nederland. Volgens Van der Heijden deed het zwart-witdenken de periode en het handelen van mensen in die tijd geen recht. Zwart-witdenken diende te worden vervangen door het denken in grijsschakeringen, waarmee hij uitdrukkelijk niet bedoelde te zeggen dat er geen onderscheid mogelijk zou zijn tussen beter of slechter handelen. Een storm van protest viel hem ten deel. Een van de belangrijkste verwijten die Van der Heijden gemaakt werden, was dat zijn relativering van de absolute morele categorieën het nationaalsocialistische ideeëngoed zou vergoelijken of antisemitisme in de hand zou werken.
In Dat nooit meer werkt Van der Heijden de ideeën van Grijs Verleden met veel meer distantie en veel beter gedocumenteerd uit. Hij probeert de, zoals hij het zelf omschri jft, mistige, amorfe publieke opinie vanaf mei 1945 tot heden in kaart te brengen en aannemelijk te maken dat in deze periode verschillende interpretaties van de oorlog elkaar afwisselden. Natuurlijk gebeurde dit niet aan de hand van scherp afgebakende cesuren. Zoals het een dikke mist betaamt, constateert Van der Heijden dat er van veel overlap en geleidelijkheid sprake was. Niettemin onderscheidt de auteur in de ontwikkeling van de beeldvorming over de oorlog sinds 1945 vier fases. De eerste jaren na de bevrijding overheerste een strak, op de opvattingen van Wilhelmina en de regering in ballingschap voortbouwend, en bijna mythisch beeld over de jaren van bezetting. Het Nederlandse volk had het wrede Duitse bestuur vastberaden over zich heen laten komen en waar mogelijk verzet gepleegd. Slechts een kleine groep van collaborateurs had zich met de vijand ingelaten. Zij zouden gestraft worden.
De praktijk bleek echter weerbarstiger: bij de Bijzondere Rechtspleging en de voorgenomen zuiveringen van maatschappelijke sectoren als de media, het openbaar bestuur en het onderwijs stuitte men telkens weer op nuanceringen, onduidelijkheden en dubbelzinnigheden. Hierdoor was het onmogelijk het simplistische Londense goed-foutschema toe te passen. De tweede fase kenmerkte zich volgens Van der Heijden dan ook door een veel genuanceerdere, en in kringen van het voormalig verzet verbitterde, interpretatie van de oorlog in de jaren vijftig. Het besef van de complexiteit van het dagelijks (over)leven tijdens de bezetting, gekoppeld aan het wederopbouw adagium 'niet lullen, maar poetsen' zorgde voor een aanmerkelijk 'grijzere' publieke opinie dan daarvoor of daarna.
In de jaren zestig verschaft Loe de Jongs tv-serie De Bezetting de publieke opinie een idioom waarin het goed-foutdenken weer centraal staat. Op de houding van het verzet tegen de bezetter werd zware nadruk gelegd, hetgeen goed aansloot bij de rebelse houding die de babyboomers tege n het gevestigd gezag aannamen. 'Dat nooit meer' werd steeds vaker als belangrijkste les van de oorlogsperiode getrokken. Verzet tegen autoriteiten was niet alleen geoorloofd, het werd als een democratische plicht beschouwd. De Jongs twaalfdelige magnum opus Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (1969-1991) leverde een wetenschappelijke nuancering - zeker in vergelijking met de tv-serie - en alom gerespecteerde fundering van dit denkschema aan. Vanaf eind jaren zeventig ontwaart Van der Heijden een bijstelling van het Jongiaanse beeld van de oorlog: Auschwitz werd steeds meer het morele ijkpunt dat de beeldvorming ging bepalen. 'Dat nooit meer' werd minder aan het verzet en steeds meer aan de Holocaust en het voorkomen ervan gekoppeld.
De kritiek die Chris van der Heijden ten deel viel (de evident onzinnige buiten beschouwing latend), betrof het wetenschappelijk gehalte van Dat nooit meer. Tijdens de verdediging van zijn proefschrift werd dit door twee leden van de promotiecommissie in twijfel getrokken, hetgeen overigens de toekenning van de doctorstitel niet verhinderde. Het verwijt van onwetenschappelijkheid verviel daarmee in formele zin. In praktische zin blijft het erg lastig om de wetenschappelijkheid van historisch onderzoek te bepalen. Natuurlijk zijn er methodologische criteria waaraan voldaan dient te zijn, en moeten de gebruikte bronnen binnen de grenzen van de academische betamelijkheid geïnterpreteerd worden. Binnen deze afbakeningen bepaalt de discussie tussen ter zake kundigen de historiografische geldigheid. Heeft Chris van der Heijden in deze evidente miskleunen gemaakt? Is zijn interpretatie van het eerste grote naoorlogse standaardwerk over bezet Nederland Onderdrukking en Verzet (1947-1953) onhoudbaar? Banaliseert hij de Holocaust? Relativeert hij alle morele categorieën weg? Gaat hij zich te buiten aan Loe-de-Jong-bashing? om maar een paar beschuldigingen aan te halen. Nou, nee. Betekent dit d at Dat nooit weer een baanbrekende, nieuwe bronnen ontsluitende en theoretisch gedegen onderbouwde studie is? Ook niet. Van der Heijden is de eerste die dat zal erkennen, sterker nog, in zijn inleiding geeft hij duidelijk aan wat voor boek de lezer kan verwachten. Van der Heijden wil op basis van een min of meer anekdotische, historisch-journalistieke vertelwijze laten zien hoe afzonderlijke delen van de Nederlandse samenleving na '45 afwisselend de oorlogsherinnering verbeeldden. Niet meer en niet minder. Dat nooit weer is een sterk geschreven, meestal goed beargumenteerd en prettig anekdotisch boek. Het is een mooie kluif die vraagt om uitbening. Wat wil een mens nog meer?
Nooit geweten dat het denken in goed/fout dan wel meer in grijstinten zo gevarieerd heeft na de oorlog. Van der Heijden denkt vooral in grijs en sluit daarmee aan bij Herzberg die ik ´toevallig´ hier vlak voor gelezen heb. Mooi hoe dit boek de oorlog schets tegen de achtergrond van een uitgebreid beeld van de Nederlandse politiek in de jaren ´30. Grappig hoe vaak van der Heijden Lou de Jong moet hebben en zijn Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog, het boek dat ik in mijn jeugd zag aangroeien in de boekenkast en dat als stille autoriteit over WOII gold.
Zeer leesbaar, doch provocerend, boek dat niet zozeer de (tweede wereld-)oorlog zelf centraal heeft alswel ons beeld ervan, en hoe dat is veranderd in de jaren die ons van 1945 scheiden. Zoals altijd is het ook hier (in de Nederlandse context) schokkend om te lezen hoe weinig men tijdens en direct na de oorlog gaf om het leed van de joden (van alle schokkende anecdotes in het boek zijn die over het antisemitisme direct ná de oorlog in Nederland misschien nog wel het ergst: Joden moesten vooral stil zijn en blij zijn met "alles" wat we voor ze gedaan hadden).
Van der Heijden geeft door gebruik van dagboekfragmenten van tijdens de oorlog een aardig beeld van hoe het nu eigenlijk was om in een bezet land te leven. In de eerste helft van de oorlog leek dat nog aardig mee te vallen. Er was een gevoel van ongemak, zeker, maar ook een bepaalde saamhorigheid. Vele dagboekschrijvers klonken nochtans redelijk content met hun leven, en waren vooral blij dat de daadwerkelijke oorlog in ons land slechts vijf dagen duurde. Na de capitulatie was er vooral opluchting dat we weer naar buiten konden en verder met het leven. Ook beschrijft het boek de vele lichte vormen van collaboratie die later zo gedownplayed zijn. Van der Heijden maakt het argument dat de sfeer van zwart-wit denken en het verbannen en zwaar straffen van élke vorm van collaboratie, en tegelijkertijd het vereren van élke vorm van verzet, contraproductief werkte, en vooral niet strookt met de realiteit van de mens: mensen doen de dingen die ze doen onder een mix van emoties en invloeden en krachten, en hoe kan je het als je ook maar een beetje empathie hebt een bakker in pakweg Naarden kwalijk nemen dat hij zich in zijn broodverkoop aanpastte aan de Duitse smaak opdat hij zijn kinderen en vrouw kon blijven onderhouden? Is dit collaboratie of toch gewoon het leven?
Natuurlijk is het wel begrijpelijk dat alle oorlogsgebeurtenissen voor degenen die erdoorheen hebben geleefd extreem gevoelig liggen, en dingen die extreem gevoelig liggen lenen zich nu eenmaal niet altijd heel goed voor een rustige, rationele discussie. Hier en daar zou Van der Heijden daar wellicht wat meer begrip voor kunnen tonen; echter, zoals hij zelf ook zegt: toen in Bosnië genocide werd gepleegd, had hij ook niks gedaan. Hij wilde zich zeker niet opwerpen als een beter persoon, maar juist de feilbaarheid van álle mensen, zowel de zogenaamde helden als de zogenaamde schurken, tonen.
Dit boek zou in wel vijftig andere tinten grijs geschreven kunnen zijn - zoals het is, sympathiseert het wellicht wel niet iets téveel met de "foute" kant, waarschijnlijk om het punt duidelijker te maken - maar het schrijven in grijstint an sich lijkt mij een zeer goede ontwikkeling. Laten we dat gapende gat tussen goed en fout vooral blijven opvullen met een humaan, feilbaar schrijven.
Voor de geïnteresseerden in de geschiedschrijving van WO2 in Nederland een aanrader. Het tot dan toe overheersende beeld van ofwel goed ofwel fout wordt rigoureus ter discussie gesteld.
Ontzettend sterk boek. Ik snap de controverse maar dat maakt het boek zo interessant. Niet alles is zo zwart-wit is wat van der Heijden wil betogen in het boek en dat is hem zeker gelukt. Een ietwat onduidelijk einde doet een beetje afbreuk, maar verder heel erg goed. 8.3
Een heldere uiteenzetting van de schrijver over hoe hij aankijkt tegen de geschiedschrijving over de 2e Wereldoorlog en wat er volgens hem is gebeurd. Goed en fout en grijs. Grijs omdat men door moest en Wilde met leven onder heerschappij van de Duitsers, daarin keuzes maakte. Kijkend naar de grote historie van de wereld:. Een grote nare schrikbarende vlek in de historie van Nederland en de wereld en door maar weer naar de volgende oorlogen en schermutselingen want van het uitmoorden van volken is deze wereld nog niet af, evenals het wegkijken om allerlei redenen.