Johann Isidor Sternberg en zijn vrouw Betsy wonen in de Rothschildstraat. Hij is een succesvol handelaar, zij zorgt voor het huishouden, stuurt de kokkin aan en de huishoudhulp. Ze hebben verschillende kinderen. Otto, de oudste, een tweeling Erwin en Clara en Victoria.
Bij het begin van de eerste wereldoorlog is Johann nog een overtuigd patriot en fier op zijn zoon Otto die vrijwillig in het leger gaat. Al snel volgt het bericht van het overlijden van Otto. Op dat moment is ook Betsy terug zwanger van een nakomertje, Alice. Alhoewel Johann een integer man lijkt, heeft hij ook een minares en een dochter bij haar, Anna.
Terwijl de oorlog langer duurt, slaat de honger toe. Als je geld hebt, kan je er niets mee kopen. Ruilhandel voor eten is de enige manier om nog aan eten te komen. Arme mensen komen om van de honger. Dan komen de eerste verwijten, de joden investeren minder in de oorlog, ze slagen erin zich te onttrekken aan de dienstplicht. Er volgen antisemitische opmerkingen en Johann verliest zijn geloof in het Duitse volk helemaal. Ze zijn toch allemaal Duits, ongeacht geloof?
Wanneer zijn minares overlijdt en zijn dochter Anne naar een weeshuis moet, toont hij zijn goed hart, slikt zijn trots en neemt het meisje mee naar huis. Betsy begrijpt onmiddellijk wie het kind is, maar neemt haar op in het gezin als ware het haar eigen kind.