Ik kan me niet herinneren tegen het lezen van een boek te hebben opgezien. Voor dit boek wel. Het stond te boek als zwaar, neerdrukkend en beklemmend. Religie en de uitwassen, ik wist er al wel genoeg van, en meer dan zat van gelezen, van Wolkers tot aan Maarten 't Hart en Biesheuvel. Toch, in deze tijd waarin aardig wat mensen zich in fundamentalistisch geloof verliezen, vond ik het weer eens tijd om me door middel van een roman te verplaatsen, en kwam ik uit op "Knielen op een bed violen". En het is me alles meegevallen, want hoe zwaar ook, het boek sleept je mee en dringt binnen.
Wat me met meest uit het boek bijblijft is de onverzoenlijke waarheid die religie kan verkondigen, hoe een individu daar geheel in op kan gaan. Geen kruit tegen opgewassen is. Eenmaal toegetreden tot een bijna sektarisch geloofsgemeenschap komt de hoofdpersoon ook nooit meer echt los, zelfs tot aan zijn sterven toe, als er geen ruimte meer is voor vrouw en geliefden. Vooral het eind bekroop me daarom enorm.
Hoewel het niet mijn soort boek is, er veel onbegrijpelijke religieuze teksten in voor komen, verveelde het allerminst, was er zelfs plaats voor een beetje humor, waar ik al helemaal niet op had gerekend.
Ik vond het ook erg mooi hoe Siebelink de liefdevolle en sterke vrouw van Hans neerzet, als symbool van hoop, hoop op andere tijden. Haar twijfel, onbegrip, machteloosheid, vind ik zo sterk, zo onafhankelijk ook, dat ze bijna niet van die tijd (voor en na de WO2) kunnen zijn.
En inderdaad is het een beklemmend verhaal, eentje waar de onmacht uit opdampt en waarbij vooral de onmetelijke kracht van iemands individuele beleving van het geloof in me is gehaakt. Om wanhopig van te worden.