Van Coillie (2007, p. 258) onderscheidt in zijn boek ‘Leesbeesten en boekenfeesten’ twee soorten dierenverhalen: verhalen waarin dieren de hoofdrol spelen (meestal in een wereld zonder mensen) en verhalen waarin dieren een belangrijke rol spelen. In dit boek spelen rifhaaien een grote rol. Het is een heel bruikbaar boek waarin zowel de ontspannende – (het meeleven met een spannend avontuur), de informatieve- (informatie over rifhaaien en informatie over de ontdekkingsreis), de esthetische- (de pracht van het natuurschoon) en de emotieve functie van lezen opgaan voor kinderen in de leeftijd van de doelgroep.
Naast het genre ‘dierenverhalen’ past dit verhaal ook bij de genres ‘historische verhalen’ en ‘spanning en avontuur’. Bij het genre ‘historische verhalen’ vanwege het samenspel van feiten en fictie (van Coillie, 2007, p. 177). Veel personen hebben bestaan en meerdere gebeurtenissen hebben daadwerkelijk plaatsgevonden, in de epiloog is te lezen welke informatie waarheidsgetrouw is. Ook past dit boek bij het genre ‘spanning en avontuur’ omdat er sprake is van een avontuurlijke tocht en er allerlei gevaren overwonnen moeten worden (van Coillie, 2007, p. 141).
Het boek speelt zich af in de 18e eeuw, in de tijd van de VOC. Het verhaal gaat over de veertienjarige Zeeuwse Roemer. Zijn moeder overlijdt en zijn vader belandt in de gevangenis. Roemer en zijn broer Pieter worden matroos op één van drie schepen van ontdekkingsreiziger Jacob Roggeveen, een Nederlandse ontdekkingsreiziger die in 1721 werd uitgezonden om het Zuidland te vinden (maar toevallig Paaseiland ontdekte). Al maanden varen ze rond over de Stille Zuidzee en het leven aan boord wordt steeds zwaarder. Het regent en stormt, het eten is bedorven, de matrozen worden afgebeuld en velen hebben scheurbuik. Als een van de schepen op een klif loopt en vergaat, grijpt Roemer zijn kans. Hij deserteert van het schip met vier anderen en laat de overige bemanningsleden in de steek. De 5 mannen blijven achter op een klein koraaleiland. Het eiland lijkt een klein paradijs: het is groen, er is eten in overvloed en er worden parels gevonden. Ze komen in contact met de oorspronkelijke bewoners van het eiland, Roemer sluit vriendschap met Nu’i, een meisje dat op het eiland woont, en ontdekt dat het leven er levensgevaarlijk is. Er wonen alleen nog maar vrouwen op het eiland; alle mannen zijn gedood door de mannen van het naastgelegen eiland Ana’a. Roemer en Nu’i brengen veel tijd met elkaar door worden verliefd. Als Nu’i meegenomen wordt door de mannen van het eiland Ana’a, gaat Roemer haar terughalen, samen met Swart Jan, één van de bemanningsleden met wie hij gedeserteerd is.
In dit verhaal blijven de dieren wat ze zijn. De verhouding tussen de mens en de rifhaai staat centraal (van Coillie, 2007, p. 263). De oorspronkelijke bewoners van het eiland tonen respect voor de dieren, zij zien de rifhaaien als de geesten van hun voorvaderen. De rifhaaien blijken uiterst agressief te worden van bloed en gaan, bij het signaleren ervan, direct over tot de aanval. Door de weggelopen bemanningsleden, die de dieren niet gewend zijn, worden zij dus eerder als vijanden gezien. In de loop der tijd leert Roemer meer over de rifhaaien en hoe hij met hen om kan gaan. Hij is dan minder bang voor hen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat hij regelmatig gaat zwemmen met Nu’i.
De thema’s van het boek zijn: de botsing van culturen en hoe jongeren grote moeilijkheden overwinnen. Om te overleven in de harde, rauwe wereld van de volwassenen heb je vrienden nodig. Het boek is geschikt voor leerlingen uit de eerste of tweede klas en zal vooral leerlingen aanspreken die houden van een mengeling van spannende avonturen en historische gebeurtenissen.