* Renaissance (p. 12-15)
* Italië. Herontdekkingen, ambities, veranderingen. Humanisme drijvende kracht. Menselijkheid benadrukt, zelfs van bijbelse figuren. Naturalisme, natuurgetrouwe detaillering.
* Periode: 1300-1600
* Internationale gotiek (p. 16-17)
* West-Europa. Nadruk op decoratie, patroon en kleur.
* Periode: 1375-1425
* Vertolkers:
* Fra Angelico
* Jacopo di Cione
* Gentile de Fabriano
* Limbourg Brothers
* Lorenzo Monaco
* Giovanni dei Grassi
* Pisanello
* Giovanni dal Ponte
* Classicissime (p. 18-19)
* Renaissance keert zich af van “cultureel verval” middeleeuwen. Romantiseert klassieke oudheid. Masaccio introduceert gebruik perspectief.
* Periode: 1400-1600
* Leon Battista Alberti
* Sandro Botticelli
* Donato Bramante (St. Pieter)
* Filippo Brunelleschi (dom van Florence)
* Donatello
* Andrea Mantegna
* Masaccio (betekent “sloddervos”; die bijnaam is hem gegeven door Giordio Vasari, omdat hij zo met schilderen bezig was dat hij weinig gaf om persoonlijke hygiene)
* Michelangelo Buonarroti (David)
* Rafael (o.a. de school van Athene)
* Perugino
* Titiaan
* Secularisme (p. 20-21)
* Algemene tendens om menselijke relaties te bespreken, los van religieuze waarden.
* Periode: 1400-1700
* Vertolkers:
* Leon Battista Alberti
* Giovanni Antonio Boltraffio
* Sandro Botticelli
* Donato Bramante
* Filippo Brunelleschi
* Vittore Carpaccio
* Donatello
* Giorgione
* Leonardo da Vinci
* Andrea Mantegna
* Michelangelo Buonarroti
* Sebastiano del Piombo
* Titiaan
* Monumentalisme (p. 24-25)
* Fysieke schaal. Ambitie om blijvend belangrijk te zijn.
* Periode: 1425-1550
* Vertolkers:
* Leon Battista Alberti
* Donato Bramante
* Filippo Brunelleschi
* Lorenzo Ghiberti (won in 1402 1e prijs voor deuren baptisterium in Florence)
* Giorgione
* Hugo van der Goes
* Andrea Mantegna
* Michelangelo Buonarroti
* Rafael
* Tintoretto
* Humanisme (p. 26-27)
* Bijna synoniem met de renaissance. 1) aandacht klassieke wereld, 2) geloof in kracht individu om wereld en zichzelf te begrijpen langs rationele (ipv religieuze) weg.
* Periode: 1450-1775
* Vertolkers:
* Giovanni Bellini
* Donatello
* Domenico Ghirlandaio
* Leonardo da Vinci
* Michelangelo Buonarroti
* Rafael
* Tintoretto
* Titiaan
* Idealisme (p. 28-19)
* Renaissancekunstenaars streefden ernaar om het ideaal te schilderen, niet omdat ze de wereld niet wilden zien, maar omdat ze de absolute en universele waarheid wilden vangen die erin verborgen ligt. Geïnspireerd door Plato. Michelangelo: lichaam monumentale proporties. Rafael: waardigheid, elegantie. Da Vinci: schoonheid, subtiele gelaatsuitdrukkingen.
* Periode: 1400-1525
* Vertolkers:
* Donatello
* Albrecht Durer
* Lorenzo Ghiberti
* Leonardo da Vinci
* Andrea Mantegna
* Masaccio
* Michelangelo Buonarroti
* Rafael
* Perspectivisme (p. 30-31)
* Technieken en theorieën om driedimensionale illusie te creëren. Lineair perspectief. Verdwijnpunt. Ontwikkeld door Brunelleschi. Da Vinci heeft atmosferisch perspectief ontwikkeld: dingen in de verte zijn bleker en blauwer.
* Periode: 1450-1550
* Vertolkers:
* Leon Battista Alberti
* Giotto di Bondone
* Filippo Brunelleschi
* Vincenzo de Biagio Catena
* Lorenzo di Credi
* Piero della Francesca
* Franceso Granacci
* Andrea Mantegna
* Masaccio
* Perugino
* Paolo Uccello
* Leonardo da Vinci
* Illusionisme (p. 34-35)
* Variant aan naturalisme. Kijker op verkeerde been om objecten aan te zien voor echte. Past in klassieke ambitie om natuurgetrouwe kunst te maken.
* Twee soorten: trompe l’oeil (misleiding van het oog); bv laten geloven dat geschilderde appel echt is. En kwadratuur: grootschalige misleidingen, bv op plafonds.
* Periode: 1425-1525
* Vertolkers:
* Donato Bramante
* Correggio
* Donatello
* Jan van Eyck
* Andre Mantegna (eerste die illusionistische plafonds maakte)
* Naturalisme (p. 36-37)
* Minimum aan abstractie of stilistische vervorming. Overtuigende lichteffecten. Oproepen gevoelens en sferen.
* Leidde in de jaren erna tot de ontwikkeling van landschaps- en stillevenskunst, wat in de Renaissance zeldzaam was.
* Periode: 1425-1525
* Vertolkers:
* Giovanni Bellini
* Pieter Bruegel
* Jan van Eyck
* Hugo van der Goes
* Giorgione
* Leonardo da Vinci
* Manierisme (p. 38-39)
* Kunst van 2e helft 16e eeuw. Overgang hoge Renaissance naar barok. Werd 18e/19e eeuw beschouwd als achteruitgang tov renaissance. In 20e eeuw echter gezien als stroming die strakke composities van renaissance afwees. Grote verscheidenheid aan (vaak vreemde) poses, onderwerpen en perspectieven. Figuren lijken vaak in beweging te zijn vastgelegd.
* Term komt van Vasari, om stijlvolle kunst aan te duiden vol elegantie en verfijning.
* Periode: 1550-1600
* Vertolkers:
* Niccolo dell'Abate
* Giuseppe Arcimboldo
* Agnolo Bronzino
* Correggio
* Parmigianino
* Giovanni
* Rosso Florentino
* Andrea del Sarto
* Barok (p. 42-43)
* Kunst en cultuur van de 17e eeuw. Term werd in eerste instantie gebruikt om kunstwerken te kleineren die klassieke proporties zouden hebben.
* Bol van beweging, emotioneel of spiritueel. Kronkelende vormen, felle kleuren, dramatische contrasten tussen licht en donker. Gaat alle kanten op. Alles om te engagen met de kijker, incl. technieken als breaking the 4th wall en manipulatie. Stillevens, genrestukken, landschappen. Politiek beïnvloed. Beschermheren die kunst voor prive-collectie wilden.
* Periode: 1590-1700
* Vertolkers:
* Rembrandt Harmensz. van Rijn
* Anthony van Dyck
* Juan van der Hamen
* Diego Velazquez
* Nicolas Poussin
* Peter Paul Rubens
* Jusepe de Ribera
Heinrich Wölfflin onderzocht uitgaande van deze theorie de relatie tussen twee stijlperioden als de renaissance en barok. Hierbij gebruikte hij een schema van vijf tegenstellingen die het verschil moesten duiden en zijn beweringen moesten bevestigen. Deze tegenstellingen waren:
Renaissance - Barok
Lineair - Losse lijnen
Vlak- Diepte
Gesloten - Open
Diversiteit - Uniformiteit
Helderheid - Diffuus
* Allegorisme (p. 46-47)
* Verstoppen van boodschappen via allegorieën.
* Periode: 1620-1750
* Vertolkers:
* Claude Lorrain
* Nicolas Poussin
* Peter Paul Rubens
* Johannes Vermeer
* Simon Vouet
* Barok-Classicisme (p. 48-49)
* Prive-beschermheren. Landschappen. Klassieke compositieprincipes.
* Periode: 1620-1690
* Vertolkers:
* Charles Lebrun
* Claude Lorrain
* Nicolas Poussin
* Pietisme (p. 50-51)
* Religieuze toewijding waarbij kunstwerk zelf centrale rol speelt. Was o.a. katholieke antwoord op afgelostenheid van protestantisme door emotioneel rijke kunst. Onderdrukking religieuze kunst door protestantisme (geen verafgoding) resulteerde in vooral wereldlijke kunst in NL gouden eeuw.
* Periode: 1600-1700
* Vertolkers:
* Gianlorenzo Bernini
* Claudio Coello
* Pietro da Cortona
* Giovanni Battista Gaulli
* Luca Giordano
* El Greco
* Bartolome Esteban Murillo
* Andrea Pozzo
* Rembrandt
* Rubens
* Francisco de Zurbaran
* Sektarisme (p. 52-53)
* Aanhankelijkheid aan geloof van bepaalde gezindte of sekte. Vaak gekenmerkt door onverdraagzaamheid jegens andere groepen.
* Periode: 1600-1700
* Gesturalisme (p. 54-55)
* Gezichtsuitdrukkingen en lichaamshoudingen die kunstwerk begrijpelijker maken. Bij barok ook vaak complexe groepen figuren waarbij verschillende gebaren verschillende reacties op de inhoud uitdrukken.
* Periode: 1610-1760
* Vertolkers: Annibale Carracci, El Greco, Il Guercino, Nicolas Poussin, Rembrandt, Vermeer
* Emotionalisme (p. 56-57)
* Emotie gebruiken om psychologische afstand met kijker te verkleinen. Meest kenmerkend met transformaties of openbaringen die om machtig centraal onderwerp draaien, goddelijk of werelds.
* Periode: 1580-1670
* Vertolkers:
* Caravaggio
* El Greco
* Bartolome Esteban Murillo
* Jusepe de Ribera
* Diego Velazquez
* Francisco de Zurbaran
* Caravaggisme (p. 58-59)
* Invloed Caravaggio. Hij wees manierisme af en ook het renaissance-idealisme. Koos voor groter realisme en dramatische technieken, zoals clair-obscur (licht-donker contrasten groter maken dan ze zijn), erotische spanning, contrast beweging en stilleven, afsnijden van figuren om de indruk te wekken dat de taferelen van dichtbij zijn waargenomen.
* Periode: 1610-1630
* Absolutisme (p. 60-61)
* Afbeeldingen van absolute macht en vorsten.
* Periode: 1620-1750
* Rococo (p. 62-63)
* Sierlijk, decoratief. Frankrijk, daarna Oostenrijk en Duitsland.
* Periode: 1720-1790
* Vertolkers:
* Francois Boucher
* Jean-Simeon Chardin
* Etienne-Maurice Falconet
* Jean-Honore Fragonard
* Sebastiano Ricci
* Giovanni Battista Tiepolo
* Jean-Antoine Watteau
* Academisme (p. 64-65)
* Klassieke ideeën van schoonheid en perfectie. Codificatie van kunst in regels, gedoceerd op de academies. Zorgvuldige composities, groots onderwerp (oorlog of heldhaftige handeling), verheven stijl, vaak mythisch, religieus of vaderlandslievend.
* Periode: 1600-1820
* Vertolkers:
* Agostini Carracci
* Annibale Carracci
* Ludovico Varracci
* Jacques Louis David
* Charles Gleyre
* Antoine-Jean Gros
* Joshua Reynolds
* George Stubbs
* Neoclassicisme (p. 66-67)
* Overheersende stroming in 18e en begin 19e eeuw. Reactie op rococo, en in navolging op morele ernst van het academisme. Interesse in klassieke verleden om eigen tijd beter te begrijpen. Sterk verbonden met verlichting en Franse revolutie. Moraliserend, rationaliserend.
* Periode: 1790-1825
* Vertolkers:
* Antonio Canova
* Jacques-Louis David (belangrijkste schilder van deze stroming)
* Jean-Auguste-Dominique Ingres
* Angelica Kauffmann
* Pierre-Paul Prud'Hon
* Joshua Reynolds
* 19e eeuw (p. 70-71)
* Tijdens de romantiek begon het proces van het bevrijden van de kunstenaar uit de autoriteit van de academies, het sociale nut en het belang van de publieke opinie, conventies, en ‘goede smaak’. Kunstenaars zetten zich af tegen commerciele kunsthandel, waarin conservatieve, burgerlijke smaak belangrijke rol speelde. Realisten brengen dit verder door voorstellingen uit alledaagse leven op te nemen, vaak beelden van armoede en arbeid. Impressionisten verlieten de conventie van het uitbeelden van natuurlijke verschijnselen als solide, gemodelleerde vormen.
* Romantiek (p. 72-73)
* Zeer brede beweging. Reactie op neoclassicisme. Nadruk op menselijke emoties, de individu, irrationaliteit, instincten, mystiek, het intuïtieve en symbolische boven het rationele, regelgebonden en maatschappijkritische. Onmetelijkheid van de natuur, waarin de mens zowel zijn eigen vergankelijkheid als zijn ware morele aard kon herkennen. Fascinatie met de natuur. Ook gruwelen en het bovennatuurlijke.
* Periode: 1800-1845
* Vertolkers:
* William Blake
* Eugene Delacroix (van beroemde schilderij over Franse revolutie)
* Theodore Gericault
* Joseph Mallord William Turner
* Caspar David Friedrich
* Orientalisme (p. 74-75)
* Trend om het Nabije en Midden-Oosten af te beelden op manier die appelleerde aan vooronderstellingen, smaak, fantasie, politiek en vooroordelen van westerse publiek.
* Periode: 1800-1900
* Medievalisme (p. 76-77)
* Stroming binnen bredere romantiek die zich afzet tegen zowel neoclassicisime als industrialisatie. Kunst en cultuur voorafgaand aan renaissance werd beschouwd als zuiverder, spiritueler en fantasievoller.
* Periode: 1825-1900
* Vertolkers:
* Edward Burne-Jones
* Peter von Cornelius
* William Holman Hunt
* John Everett Millais
* Friedrich Johann Overbeck
* Dante Gabriel Rossetti
* Prerafaelisme (p. 78-79)
* Werd rond 1850 tentoongesteld in Royal Academy of Arts. Veroorzaakte controverse; breken met academische regels. Pre-Raphaelite Brotherhood wilde terugkeren naar schilderachtige en spiritueel “zuivere” kunst van voor Rafael.
* Periode: 1850-1900
* Vertolkers:
* Edward Burne-Jones
* Walliam Holman Hunt (oprichter)
* John Everett Millais (oprichter)
* William Morris
* Dante Gabriel Rossetti (oprichter)
* John William Waterhouse
* Realisme (p. 80-81)
* Manifest La Realisme van Gustave Courbet: werkelijkheid schilderen zoals die is; niets aantrekken van uitgeholde ideeën over wat geschikte en ongeschikte onderwerpen zijn. Kunstenaar bevrijden van burgerlijke smaak.
* Periode: 1845-1900
* Vertolkers:
* Gustave Courbet
* Honore Daumier
* Edgar Degas
* Henri Fantin Latour
* Edouard Manet
* Alfred Menzel
* James Tissot
* Materialisme (p. 82-83)
* Het morele, intellectuele en emotionele wezen van een persoon wordt gevormd door zijn of haar omgeving (tegenovergestelde van idealisme dat er van uitgaat dat we gevormd worden door innerlijke krachten zoals een ziel). Reactie op het idealisme en de romantiek. Courbet was sceptisch over kunst die beweert onafhankelijk te zijn van de maatschappij. Hij was ook sceptisch over impressionisme, estheticisme en neoplastisicme. Neo-conceptualisten worden in de hedendaags kunst tot de materialistische traditie gerekend, omdat ze kritiek hebben op de manier waarop kunst en persoonlijke identiteit wordt gevormd door economische en culturele krachten.
* Periode: 1845-2000
* Vertolkers:
* Gustave Courbet (belangrijkste vertolker)
* Honore Daumier
* Edgar Degas
* Henri Fantin Latour
* Jean-Francois Millet
* James Tissot