"Vanochtend ben ik bij je weggegaan. Ik weet nog precies hoe het ging, want toen ik wegging had ik een besluit genomen dat het moment in mijn ogen onvergetelijk maakte. Nu weet ik het niet meer zo zeker. Deze vrouw en ik zijn bezig van rol te verwisselen. Ik stap binnen in haar pijn. Zij brengt mij dichter bij jou. Haar verdriet pakt me bij de hand en voert me mee naar jouw lachjes, je verkoudheidjes en je eerste tandjes die nog niet helemaal zijn doorgekomen." (p.58)
Terwijl hij de vrouw die voor hem zit vertelt dat haar dochter is omgekomen bij een aanrijding, neemt hij langzaamaan afscheid van zijn eigen dochter. 21 maandjes is zij, en ze moet zonder moeder een wereld vol haat, misdaad en verlies tegemoet, een ontmoeting waar hij niet klaar voor is. Wel met de wereld, en zijn leven daarin, zonder vrouw, toekomst of betekenis. Een enkele glimlach nog scheidt hem van de dood.
"Je bent te klein. Je kunt me niet helpen. Je doet me alleen maar nog meer terugverlangen naar degene die er niet meer is, omdat je zonder dat je het weet op haar lijkt. Je laat me de wereld alleen nog lelijker vinden dan hij misschien is, en ik raak verblind door die gruwelijkheden omdat ik niets anders meer zie en omdat ik merk hoe jij je steeds meer van mij losmaakt, van mij, je 'papa, mijn papa' die alleen maar zit te huilen of languit op een trottoir ligt te wachten tot er iets gebeurt, tot hij door de een of andere macht onder de zoden wordt gewerkt..." (p.68)
Klein en scherp zijn de prikjes waarmee Claudel je raakt, rijk omfloerst met botte vegen kritiek en grof zelfbeklag. Aanvankelijk lijkt het onevenwicht vreemd, alsof de schrijver niet meer gevoel kan leggen in het gebeuren, maar dan dringt stilaan tot je door wat voor spel hij met je speelt. En wordt het opeens pijnlijk hard, met dit verhaal ontneemt de schrijver alle adem, die van jou, en van alle personages. Wie er doodgaat maakt niet uit, het verhaal eindigt ademloos.
"Ik wilde nooit aankomen. Ik wilde de wereld blijven zien vanuit de wetenschap dat jullie allebei in leven waren. Tijdens het rennen probeerde ik de schoonheid van het moment vast te houden, de goudgetinte schaduw van een muur vlak bij de Opéra, de kus die twee tieners uitwisselden bij het gietijzeren metrobord van Palais-Royal, de lach van een oude vrouw in de Rue de Rivoli die in zichzelf praatte en haar armen ophield voor een wals zonder partner; allemaal mooie dingen die ik met me mee zou dragen als de laatste mooie dingen uit een wereld waarin jullie in mijn geest nog allebei in leven waren, zonder dat ik kon kiezen of kon weten wie er dood was: jij, een diertje met donker haar dat heel gerimpeld en veel te zacht was om uit de nacht van je moeders buik te zijn gekomen, of je moeder, mijn liefste, oneindig mooi en vreedzaam, met net genoeg vermoeidheid onder haar ogen, zo bleek en verdwaasd, met vochtige slapen van naar melk geurend zweet, en haren die uitwaaierden over het witte laken van de kraamkliniek waar ze fata morgana's op tekenden." (p.105)