De drie boeken achter elkaar lezen is toch wel een opgave. Het goddelijke monster, Zwarte tranen en Boze tongen geven meer dan 1200 pagina’s taalplezier. Niet overal even sterk maar dat kan ook bijna niet op zoveel bladzijden.
We maken kennis met Katrien Deschryver. Geplaagd door visioenen en zich stellend in de rol die men haar op het lijf schrijft als lieveling van iedereen, is ze het centrum van de drie verhalen. Klein en bloedmooi heeft deze petite slechts één nadeel. Het mens trekt rampen aan. Neefjes verongelukken in een zwembad, een oom rijdt met de grasmachine over de stroomdraad, er is een geheimzinnig verdwenen broertje en als ultieme ramp schiet ze tijdens een jachtongeval haar man dood.
Beschuldigd van moord doet ze wat ze altijd doet, ze hult zich in stilzwijgen tot iedereen haar weer vergeeft.
En zoals Tom Wolfe in ‘Het vreugdevuur der ijdelheden’ de teloorgang van Sherman Mc Coy laat zien, doet Tom Lanoye hier hetzelfde met de rijke en machtige familie Deschryver. Het verschil zit hem in de manier waarop hij dat doet. Geen tragische en ellendige afdaling maar komisch en potsierlijk. Zo komen de talrijke doden, en die zijn er nogal wat, na hun overlijden terug in het verhaal. Als het publiek bij een theatervoorstelling volgen ze de gebeurtenissen.
Flink wat personages bevolken trouwens deze romans. Allemaal uitvergroot tot een clichématige voorstelling van de realiteit.
Haar zus Gudrun, die zo graag Katrien wil zijn maar eindigt als oude vrijster. Een manisch-depressieve moeder die de leiding neemt bij de Witte Mars, haar vader een topbankier en nonkel Leo, die de grootste tapijtfabriek van Vlaanderen heeft maar samen met haar vader geen frauduleuze praktijk uit de weg gaat.
Er is de stuntelende onderzoeksrechter Dedecker met een eigen agenda en de drie ongehuwde tantes Marja, Milou en Madeleine. Er is een broer Bruno die homoseksueel is en een broer Steven wiens droom het is om ooit als bankier in New York fortuin te maken.
Wat de trilogie anno 2019 als pluspunt heeft is de taalvirtuositeit die de auteur aan de dag legt, de verschillende stemmen die zijn personages krijgen (zo laat hij Steven voortdurend Engelse zinnen zeggen en nonkel Leo boers en grof in de mond zijn). De boeken hebben vaart en lezen vlot al is in deel drie daar wel veel minder van te merken. Maar dat komt misschien ook omdat ik ze echt alle drie aan één stuk door heb gelezen.
De cynische benadering van de maatschappij in de jaren ’90 is meteen ook het nadeel. Lezers die niet op de hoogte zijn van de schandalen die Vlaanderen toen teisterden missen een deel van de kleine verhaaltjes tussen het grote verhaal. Van ver is de familie Deschryver geëtst op de familie De Clercq, tapijtfabrikanten die bedolven werden onder allerlei vieze zaakjes. Verwijzingen naar Herman Van Rompuy en de notitieboekjes van Leo Delcroix zullen ook de jongere lezers ontgaan, net als het spaghetti-arrest. De overvallen door de Bende van Nijvel en Dutroux daarentegen zijn ook nu nog bij iedereen bekend.
In elk geval is deze trilogie het lezen waard, ook zonder kennis van de Vlaamse politieke en maatschappelijke omstandigheden. Een mooie taal, krachtige evoluties van karakters en hun soms ontroerende pogingen iets van hun leven te maken geven dit boek zijn recht om gelezen te worden.