Een boek waar ik gemengde gevoelens bij heb.
Ik was erg nieuwsgierig naar de theorie achter het familiesysteem. Meerdere van mijn collega's zijn er zeer enthousiast over. Het eerste deel van het boek zette mij geregeld aan het denken over hoe 'de opstelling' in mijn eigen familie in elkaar zit.
Ik begin met wat volgens het boek de werkelijke les van een familieopstelling is, namelijk dat je leert om mee te gaan in de flow van het leven. Liefde kan alleen maar stromen als je in tune bent met jezelf, jouw achtergrond, enzovoorts. Kortom: met het leven.
Hoewel deze uitleg een beetje ‘vaag’ (ik probeer het woord ‘zweverig’ niet te gebruiken) op mij overkomt, kan ik me wel vinden in de algemene filosofie dat je eerst jouw eigen zuurstofmasker op moet zetten voordat je anderen helpt met die van hun.
Het boek vertelt over de drie elementen: binding, ordening en balans. Dit zijn wat mij betreft begrijpelijke en overtuigende elementen. In het ideale familiesysteem zijn deze alle drie in orde. Dit deel van het boek waarin ze worden uitgelegd en waarin oefeningen staan om zelf met opstellingen te oefenen vond ik een sterk stuk. Ik moet bekennen dat werken met opstellingen waarbij voorwerpen of andere personen mijn familieleden of collega’s representeren niet goed bij mij past. Het nadenken over waar iedereen staat vind ik een zeer nuttige oefening, maar lessen trekken uit wat er daarna gebeurt is voor mij niet weggelegd. Ik zie wel degelijk dat het bij anderen wel werkt, dus sta ik er niet negatief tegenover.
Waar ik meer moeite mee heb is de theorie die dieper ingaat op de relatie tussen de ouders en het kind. Hier begint het gebrek aan theoretische onderbouwing aan mij te knagen. In dit deel van het boek worden veel uitspraken gedaan die je als lezer maar gewoon moet aannemen.
Een voorbeeld hiervan is dat er wordt geschreven dat wanneer je niet op jouw ouders wilt lijken dit juist wel gebeurt. In andere delen van het boek zijn er meestal twee wegen te bewandelen: iets gebeurt juist wel, of iets gebeurt juist niet. Maar hier is het: je gaat sowieso op jouw ouders lijken als je jezelf voorneemt om niet zoals hun te worden.
Dit wordt vervolgens uitgelegd met twee vergelijkingen: Als je niet zenuwachtig wilt zijn voor een presentatie dan word je juist zenuwachtig en hoe verder je een ballon onder water probeert te duwen hoe krachtiger hij boven probeert te komen. Dit zijn sprekende voorbeelden, maar voor mij is het lastig om deze voorbeelden als bewijs te accepteren voor de eerste bewering.
Er wordt ook meerdere keren benoemd dat je 50% jouw moeder en 50% jouw vader bent. Hierin is niet duidelijk of dit in biologische zin bedoeld wordt of qua gedrag. Echter gaat de schrijver vervolgens steeds in op gedrag, dus wordt de suggestie gewekt dat het daarover gaat. Dit lijkt mij iets te simplistisch aangezien er toch wel meerdere invloeden op jouw gedrag zijn? Hoe zit het met de hele rest van jouw omgeving?
Maar goed, vanuit de aanname dat je dus 50% jouw vader en 50% jouw moeder bent wordt er in het boek geschreven dat wanneer de relatie tussen ouders niet goed is, bijvoorbeeld wanneer de moeder de vader afkeurt, de moeder dus ook voor 50% haar eigen kind afkeurt. Het kind wordt dan opstandig naar zijn moeder of trekt er juist naartoe.
Andersom geldt ook dat als het kind de ouders afkeurt dat het dan deels zichzelf en het leven afkeurt.
Ook hier heb ik een grote behoefte aan meer onderbouwing, want deze redenering is wat mij betreft wel heel kort door de bocht.
Wat ook opvalt is dat de theorie de verhoudingen tussen de ouders en het kind op een heel binaire manier neerzet. Zo wordt er geschreven dat je van jouw vader jouw mannelijke eigenschappen ontvangt en van jouw moeder jouw vrouwelijke eigenschappen.
Van jouw vader leer je jouw eigen daadkracht kennen, ambitieus te zijn, doelen te bereiken en gegrond te zijn. Van jouw moeder leer je om in verbinding te zijn.
Deze beweringen kunnen niet anders dan gestoeld zijn op grove stereotyperingen, maar nergens worden deze beweringen ook maar een beetje genuanceerd.
Dit komt ook terug in de bewering dat jouw vader boven je staat en dat als je jouw vader niet hebt geaccepteerd in de plek die hij innam je niet hebt geleerd om iemand boven je te hebben. Moeite met autoriteit is het gevolg.
Hoewel ik geen moeder ben, zelfs geen vrouw, zat ik mezelf toch behoorlijk op te vreten tijdens het lezen van deze patriarchische woorden. Kan de moeder dan helemaal geen van deze rollen vervullen?
Het boek gaat nog verder in op de relatie tussen ouders en kind. Volgens de theorie moet er een balans zijn tussen geven en nemen (element: balans). Dit is echter onmogelijk bij ouders en kinderen. Ouders hebben namelijk kinderen hun leven gegeven en dat is niet te compenseren. De enige manier om de schuld te effenen is door zelf kinderen te krijgen.
Met deze logica heb ik toch een beetje moeite, niet in de eerste plaats omdat theoretische onderbouwing mist. Je komt dus meer in balans met jouw ouders als je zelf kinderen neemt? Is dit een soort intergenerationeel doorgegeven trauma? Gedeelde smart is halve smart? Blijven mensen die geen kinderen krijgen altijd uit balans met hun ouders?
Kort samengevat ben ik blij om meer te weten te zijn gekomen over de drie elementen binding, ordening en balans. Helaas vliegt het boek een beetje uit de bocht voor mij wanneer het dieper ingaat op de relatie tussen ouders en kind. Er worden veel gewaagde beweringen gedaan die ik helaas lastig zonder verdere theoretische onderbouwing kon verteren.