Drie of vier sterren? Ik kan best wel wat minpuntjes opnoemen over De Straat van Ina Boudier-Bakker. Het grote aantal personages bijvoorbeeld. De mannen aangeduid met hun notabele functie (wat op zichzelf genomen goed past bij het thema). De vrouwen als ‘de vrouw van’ of (soms) met hun voor- en/of achternaam. En dan nog de vele kinderen, vooral meisjes met bij voorkeur makkelijk te verkleinen namen: Grietje, Jetje. Uiteindelijk heb ik een who’s who lijstje gemaakt, dat hielp enorm. Ook is het soms wel erg zwaar aangezet allemaal, de bekrompen notabelen, het wellustige grauwe volk, de grauwe angstige moeders, de mannen die zich gevangen voelen. Het woord grauw is alomtegenwoordig, ook de luchten en het leven zijn vaak grauw.
Toch vind ik het goed. Vlot geschreven, indringend en met suspense. Misschien is de setting ouderwets, maar de beschreven gevoelens zijn actueel genoeg: jaloezie, ambitie, standsverschillen, roddel en achterklap, angst voor het vreemde, verlangen naar zorgeloosheid, afzetten tegen ouders, angst voor eenzaamheid en uitsluiting, kinderloosheid. In 1924 moet het bovendien een gewaagd verhaal geweest zijn, over het achterstellen van vrouwen, over ongelijke kansen door rangen en standen, over de hypocrisie van de kerk, er komt zelfs een abortus in voor. Verder is de plot geweldig gekozen: het deftige straatje met haar benepen, maar overzichtelijke bestaan. En dan ineens de losbandige kermis, het wereldleed (in de vorm van weeskinderen uit Hongarije) en de dood. Iedereen raakt uit zijn evenwicht, er kan van alles gebeuren. Wat gebeurt er? Het einde is mooi en in balans. En dat alles in 82 pagina’s. Toch vier sterren.
De kermis die op haar hoogtepunt losbrak in één lange kreet. Een kreet van vertwijfeling om de vreugd, die ópsloeg naar de koele donkere herfsthemel, diep en oneindig koepelend over het rosverlichte stadje te midden van de zware vochtige weiden. Een kleine plek van woelend elkaar verdringend mensengewemel in het wijde zwijgende, leege land – één radeloze strijd van mensenbegeren en menselijk wee onder de aandoenlijk verre sterren. (pag. 73)