Waar in het proza van Laura Broekhuysen de taal centraal staat, wordt er in al haar gedichten gezocht naar een verhaal. Verbindingen tussen personages, tussen generaties, tussen een werkelijke en een fictieve ik, tussen IJslandse sagen en dagelijks leven, tussen moeder en vrouw, herinnering en voorstelling, inzage en inzicht, boom en rizoom. Toch blijft de verhaallijn onbenaderbaar, manifesteert die zich als iets wat per definitie niet toe te eigenen is. Hoe capabel ook, de plot zal je ontglippen, al had je ogen in je ellebogen, oren in elke porie. Laura Broekhuysen, die alom geprezen wordt om haar poëtische proza over haar emigratie naar IJsland, debuteert nu met glasheldere gedichten.
'Met woekerende gedachten heb ik hetzelfde probleem als met de kruiwagens vol lupinestengels: waar in de tuin, waar in je hoofd, stort je die kruiwagens leeg – de knetterende zaden zitten er nog aan.'
Allerlievelingsbundel. Ik lees dit het hele jaar door en alsnog blijft het oneindig.
"Het is niet mijn verhaal waarvan ik wakker lig, / alleen het wakker liggen is van mij."
"Hoe tussen de toetsen van de piano steeds / meer tonen blijken te passen - haar jurk van / nooit gewassen stof, op de groei gekocht, die / over je knieën plooit. Zo klein zijn we dat elke / kromme loodrecht lijkt, alle wegen waterpas"
"Met woekerende gedachten heb ik hetzelfde probleem als met de kruiwagens vol / lupinestengels: waar in de tuin, waar in je hoofd, stort je die kruiwagens leeg - de knetterende / zaden zitten er nog aan."
"Je hebt schaduwen van zwaluwen over / de muren zien flitsen, je hebt het gegier / gehoord. Misschien een glimp van / buurtkinderen, die met rooie wangen / hun vliegers in de lucht gooien."
Als poëzie ons aangereikt wordt - door een vriend in een brief of kaartje, of door een dichter op een podium - zijn we meestal eenvoudig warm te maken en weten regels ons diep te raken. Zelf op ontdekkingstocht gaan kost ons wat meer moeite, maar schrijvers die we hoog in het vaandel dragen, krijgen sneller een kans.
Dus toen Wij capabelen, de debuutbundel van Laura Broekhuysen - die we luid toejuichen sinds haar fantastische Winter-IJsland - verscheen, sloegen we snel aan het lezen.
Het openingsgedicht 'Balts' is meteen van heel grote kwaliteit. De zinnelijkheid spat er vanaf, wordt mee door het ritme gedragen en biedt toch ook ruimte voor oprechte eenvoud als:
"we houden van ons omdat we van ons te houden hebben."
een gedicht dat meteen bij eerste lezing door hart, ziel, lijf en leden kroop en dat we met genoegen opnieuw zullen lezen. Nadien vonden we wat moeilijker onze weg. Soms voelde het wat geforceerd aan, terwijl we in het proza van Broekhuysen net een heel grote naturel en spontane waarachtigheid in haar taalbeheersing vinden. Ondanks het wat stroevere gevoel, ontmoetten we ook nog zinnen die we graag meedragen,
"hoe tussen de toetsen van de piano steeds meer tonen blijken te passen"
en lazen we nieuwsgierig verder. In een gedicht als 'Cirkelredenatie' hadden we heel erg het gevoel dat we altijd nét naast de essentie grepen, wat een lezer snel frustreert. Het was met 'Kustwacht - voetnoten', het derde deel van de bundel, dat we weer helemaal mee waren en ons wentelden in Laura Boekhuysens fijne, speelse en indrukwekkende taalgevoel.
Heel straf begin en mooi einde. Een bundel het ontdekken waard en een dichteres die ongetwijfeld nog verrassen zal.
Jaren geleden las ik een boek van Broekhuysen over haar emigratie naar IJsland. Het boeide me zeer en Laura leek me een avontuurlijke vrouw. Dat avontuurlijke komt ook sterk naar voor in deze bundel.
Haar gedichten zijn én donker én licht. Ze staan met hun twee voeten in de werkelijkheid (de pandemie) maar lezen soms ook als een sprookje, een IJslandse sage. Ze schrijft vaak heel lange gedichten die een soort van ritme in zich dragen dat klinkt als de huilende wind op een herfstige avond.
Haar mooiste en tevens origineelste gedicht vind ik Kustwacht-voetnoten. Hoe ze telkens dieper en dieper gaat, humor en tragiek verweeft.
Om dit soort poëzie te schrijven moet je midden in de (IJlandse) natuur leven, denk ik. Of gewoon Laura Broekhuysen heten. Mooi.
De iets meer traditionele gedichten in deze bundel kon ik af en toe wel smaken, maar bij het hoofdstuk ‘Kustwacht’ - dat uit louter voetnoten bestaat - plaatste ik in mijn hoofd toch behoorlijk wat vraagtekens en haakte mentaal af. Ook het over negen bladzijden uitgesmeerde gedicht ‘Eerste dooi’ was voor mij een brug te ver en dat niet alleen omwille van de lengte. Misschien komt het doordat ik een dagje ouder wordt en wat meer behoefte voel aan houvast? Of wil ik op deze leeftijd – gezien het nog voorhanden zijnde overweldigende aanbod – steeds minder moeite doen om iets te doorgronden waarvan ik betwijfel of het echt de moeite loont? Zou best kunnen.
Eerlijk gezegd heb ik me door deze bundel heen moeten worstelen. De taal is weelderig en tegelijkertijd kraakhelder, maar toch ontgaat veel van de betekenis mij. En waar ik bij Verkruimeld land van Aya Sabi zei “Lastig te doorgronden, maar soms moet je ook niet alles willen snappen, alleen maar voelen”, had ik er hier meer moeite mee. Misschien ligt dat aan mijn eigen verstandhouding met poëzie.