Miklós Radnóti was one of the most talented young poets in 1930s Hungary. He developed a unique poetic voice: in verses of rare luminosity, he gave a vivid, complex vision of love and pain, exuberance and foreboding. Although his voice was deeply individual, he was writing well within the European mainstream: a talented translator, he published Hungarian versions of verses by Blake and Keats, Apollinaire and Eluard, Brecht and Rilke, and many others.
During the Second World War, being of Jewish descent, Radnóti served three periods of forced labour, the last in a slave camp in northern Serbia. Here, in a tiny concealed notebook, he wrote his last and finest poems. In November 1944, in the western Hungarian town of Abda, Radnóti was shot whilst being force-marched towards Germany during the liberation of the Balkans. His body was exhumed from a ditch after the war, and identified from the notebook in his pocket.
The fame of this notebook (the pages of which are reproduced at the beginning of this volume) does not only rest on the poignancy of its story; Camp Notebook is a masterpiece in its own right, a crucial work of European verse. It is one of the greatest pieces of literature to emerge from the Holocaust, and probably the finest volume of poetry born from the horror of the Second World War.
Miklós Radnóti, birth name Miklós Glatter, was a Hungarian poet who fell victim to the Holocaust.
Radnóti was born into an assimilated Jewish family. His life was considerably shaped by the fact that both his mother and his twin brother died at his birth. He refers to this trauma in the title of his compilation Ikrek hava ("Month of Gemini"/"Month of the Twins").
Though in his last years, Hungarian society rejected him as a Jew, in his poems he identifies himself very strongly as a Hungarian. His poetry mingles avant-garde and expressionist themes with a new classical style, a good example being his eclogues. His romantic love poetry is notable as well. Some of his early poetry was published in the short-lived periodical Haladás (Progress). His 1935 marriage to Fanni Gyarmati (born 1912) was exceptionally happy.
Radnóti converted to Catholicism in 1943. This was partly prompted by the persecution of the Hungarian Jews (from which converts to Christianity were initially exempted), but partly also with his long-standing fascination with Catholicism.
In the early forties, he was conscripted by the Hungarian Army, but being a Jew, he was assigned to an unarmed support battalion (munkaszolgálat) in the Ukrainian front. In May 1944, the defeated Hungarians retreated and Radnóti's labor battalion was assigned to the Bor, Serbia copper mines. In August 1944, as consequence of Tito's advance, Radnóti's group of 3,200 Hungarian Jews was force-marched to Central Hungary, which very few reached alive. Radnóti was fated not to be among them. Throughout these last months of his life, he continued to write poems in a little notebook he kept with him. According to witnesses, in early November 1944, Radnóti was severely beaten by a drunken militiaman, who had been tormenting him for "scribbling". Too weak to continue, he was shot into a mass grave near the village of Abda in Northwestern Hungary. Today, a statue next to the road commemorates his death on this spot.
Eighteen months later, his body was unearthed and in the front pocket of his overcoat the small notebook of his final poems was discovered (his body was later reinterred in Budapest's Kerepesi Cemetery). These final poems are lyrical and poignant and represent some of the few works of literature composed during the Holocaust that survived. Possibly his best known poem is the fourth stanza of the Razglednicák, where he describes the shooting of another man and then envisions his own death.
Een schrift met gedichten gevonden in een massagraf. De stijl varieert van gedragen tot uitgekleed, waarbij de laatste gedichten, geschreven tijdens een dodenmars de meeste indruk maken De ossensnuiten kwijlen bloedig slijm, de mannen plassen bloed en staan te stinken, in haveloze kluitjes opgehoopt. Boven ons dreunt de gruwel van de dood. - Razglednica [3]
Indrukwekkend werk om te lezen, en ik was me er niet van bewust dat Hongarije zo laat door Nazi Duitsland bezet was. Miklós Radnóti was al een gevierde dichter voor de oorlog, waar het gedicht waar de bundel mee start ook aan refereert: Ik leefde op aarde in een tijd waarin de dichter enkel nog kon zwijgen en wachtte tot hij weer zou kunnen spreken. - Fragment
Er zijn twee heldengedichten, ecloges, die ook een beeld geven bij zijn formele opleiding in de letteren, zonder de horror van het kamp uit het oog te verliezen: Steeds als de avond valt is mijn gevangenschap weer een dag korter, en ook de rest van mijn leven. - Ecloge 7
Het is intens triest om deze gedichten te lezen. Het bewijs van hen en hetgeen is verdwenen, vernietigd is tijdens de Tweede Wereldoorlog: een goed mens, een briljant dichter.
Terwijl de koorts begint weg te ebben (de booster doet wat hij moet doen) las ik deze pakkende dichtbundel, gevonden in een massagraf op het lichaam van de geëxecuteerde Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Natuurlijk dacht ik terug aan de verzen van mijn petekind Célestin die hij bij zich droeg toen hij in 2017 onwezenlijk vroeg overleed en aan de bundel die we een jaar later daarvan maakten, ook met afbeeldingen van het handschrift (Les étoiles filantes).
De inleiding van Orsolya Réthelyi is aangrijpend en zegt geen woord te veel. De vertaling die ze maakte met Arjaan van Nimwegen is pakkend en mooi. Soms ademen de verzen de melancholie van Nijhoffs Tuinfeest en dromen lijkt wel het enige dat het getergde ik nog enigszins overeind kan houden in een wereld vol gruwel (‘Ik leefde op de aarde in een tijd / waarin de mens, ontaard, niet enkel doodde / in opdracht, maar vrijwillig, uit genot’). En dan die laatste geschreven woorden:
‘Der springt noch auf,’ - klonk boven mij. Bloedmodder stolde op mijn oren.
Helaas deed het nawoord door Arnon Grunberg enigszins afbreuk aan mijn leeservaring. Veel namen en intellectuele gedachten waar, voor mij, stilte beter had gepast.
Een ander positief effect van 'In mijn mand' van Lieke Marsman was dat ik zin had gekregen in een nieuwe dichtbundel. Dit werd Het schriftje uit Bor van Miklós Radnóti. Ook hier had ik een mooie bespreking van gelezen. Alleen al vanwege de fraaie, verzorgde vormgeving zou je deze bundel al kunnen aanschaffen, maar dat is uiteindelijk slechts te verpakking. Het gaat hier boven alles om de inhoud; de inhoud en het verhaal erachter. De gedichten in Het schriftje uit Bor zijn namelijk flessenpost, zoals Arnon Grunberg dat omschrijft in het nawoord; gruwelijke flessenpost.
De Joods-Hongaarse dichter Miklós Radnóti werkte als dwangarbeider in de kopermijnen van het Servische Bor en werd in november 1944 tijdens een dodenmars neergeschoten, vijfendertig jaar oud. Zijn lichaam werd anderhalf jaar later teruggevonden in een massagraf, met in zijn jaszak een schriftje waarin hij de laatste weken van zijn leven gedichten had genoteerd. Hierin beschrijft hij de verschrikkingen in het werkkamp waar hij met andere gevangenen dwangarbeid moet verrichten. De gedichten die hij uitgeput aan het eind van een dag stiekem in het schriftje weet te noteren zijn kleine ooggetuigenverslagen van de hel. De poëzie is Radnóti’s venster op de gruwelijke wereld om hem heen, maar ook zijn houvast. Wanhopig denkt hij aan zijn vrouw die hij in Boedapest moest achterlaten en aan hun gelukkige, vooroorlogse leven samen. Tussen alle gruwelijkheden probeert de dichter zich de schoonheid en de liefde voor de geest te halen. Maar uiteindelijk haalt de dood hem in. De vijand nadert en de nazi’s sturen de overlevenden van het werkkamp op een mars richting Duitsland. Een mars die voor velen een dodenmars zal blijken. Het laatste gedicht uit de bundel is misschien wel het beroemdste en leest als een vooraankondiging van Radnóti’s eigen dood:
Ik stortte naast hem, zijn lijf rolde, strak al, een gespannen snaar. Nekschot. – ‘Dus zo wordt jouw einde,’ – fluisterde het in mij, – ‘lig stil, geduld nu, daaruit bloeit de dood.’ – ‘Der springt noch auf,’ – klonk boven mij. Bloedmodder stolde op mijn oren.
Het besef dat wat je leest op zijn lijk is teruggevonden – het bizarre wonder dat het überhaupt is teruggevonden! – maakt dit tot een zeer indringende leeservaring. Dit is de eerste integrale Nederlandse vertaling van Het schriftje uit Bor, vertaald door Arjaan van Nimwegen en Orsolya Réthelyi. Hopelijk volgt er meer. Voor mijzelf heb ik in elk geval voor het eerst in lange tijd weer een glimp opgevangen van de kracht van poëzie.
Het begin van dit stuk gaat over de dichtbundel 'In mijn mand' van Lieke Marsman. Je leest het, samen met mijn andere besprekingen, op mijn boekblog Jacob de Zoet
Ik stortte naast hem, zijn lijf rolde, strak al, een gespannen snaar. Nekschot. - 'Dus zo wordt jouw einde,' - fluisterde het in mij, - 'lig stil, geduld nu, daaruit bloeit de dood.'- 'Der springt noch auf,'- klonk boven mij. Bloedmodder stolde op mijn oren. (Razglecnica 4, Ansichtkaart)
Het schriftje uit Bor werd twee jaar na het beëindigen van de Tweede Wereldoorlog teruggevonden in een massagraf, op het lichaam van de Hongaars-joodse dichter Miklós Radnóti. Tien gedichten schreef hij bijeen tijdens zijn derde en laatste arbeidsdienst, die eindigde in een dodenmars. Radnóti beschrijft het harde kampleven, zijn intens verlangen naar vroeger en zijn geliefde Fanni. Hoop staat centraal: 'Ik leefde op de aarde in een tijd/waarin de dichter enkel nog kon zwijgen/en wachtte tot hij weer zou kunnen spreken.' Dat moment is er voor Radnóti nooit gekomen.
Radnóti geniet nog steeds een grote populariteit in eigen land, ook door zijn vroegere (expressionistische) poëzie tijdens het interbellum en door zijn werk als vertaler van internationale poëzie.
Dit kleinood kan niet anders dan bewondering oproepen. Jammer van het nawoord van Arnon Grunberg, die het verschijnsel 'kampliteratuur' zo nodig moet overanalyseren. Soms moet je de dingen gewoon laten zijn.
I appreciated how much this translation tried to emulate the specific formal qualities of Radnóti's work, which is hard to do while maintaining the clarity of his specific meaning. I think this translation is largely successful at that. On a personal note, I'd never read the Bori notesz specifically, though I have read most of the poems in this collection before, in different arrangements, so this was interesting.