"O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen" – zo begon het bekendste weergedicht uit onze literatuur, anderhalve eeuw geleden. En nog steeds vluchten veel Nederlanders als het even kan naar een ‘mooier’ want zonniger klimaat. Maar die alom hartelijk verguisde kou, regen en mist waren tegelijk een onuitputtelijke inspiratiebron voor dichters en schilders. Dit boek laat zien dat niet alleen avondrood en lentebloei prachtige kunst kunnen voortbrengen, maar ook alle vormen van minder gezellig weer. Het regent niet alleen in dit boek, het sneeuwt, het mist, het waait, het ijzelt, het vriest, het onweert dat het een lieve lust is.
Weer en wind – 100 gedichten en 100 gezichten laat zien hoe dichters en schilders het befaamde ‘lelijke’ Hollandse weer verwoord en verbeeld hebben in hun kunstwerken. Het resultaat is een staalkaart, een schatkamer en een sprookjesboek tegelijk. Van P.C. Boutens tot Remco Campert en Menno Wigman. Van Pieter Bruegel tot Isaac Israels en Dick Bruna.
Dankzij dit mooi vormgegeven boek heb ik een paar nieuwe dichters leren kennen: Piet Meeuse, Lans Stroeve, Geert van Istendael, Vicky Francken en Nicolaas Matsier. Van de laatste wist ik niet dat hij ook dichter was en de anderen kende ik überhaupt nog niet. Ik ga hun werken opzoeken en nog nader verkennen.
Verder veel schilderijen gezien van schilders van wie ik in 2018 hun brieven ordende in het archief van kunstcriticus Albert C.A. Plasschaert. Van sommige kende ik enkel de namen en nu heb ik hun schilderstijl erbij. Een mooie ervaring dus voor mij, dit boek.