I had expected this book would offer a systematic discussion on “new atheists” like Richard Dawkins, Daniel Dennett, Christopher Hitchens, and others. Of course, they are at the core of the argument of Beattie, but she has opted much more for a fierce apologetic of religion, in which the arguments of those new atheists are discussed rather haphazardly. From the outset, Beattie makes it clear that she thinks very low of this movement: “The simplistic condemnation of religion is an ideology that, like any ideology, relies on distortions of history and a lack of the kind of insight that invites a variegated approach to the role of religion in various contexts”.
This should not come as a surprise, knowing she is a professor of Catholic Studies at a university in London. And in this book she surely succeeds in offering a much more nuanced image of religion, in its various facets. Now, the peculiar thing is that she blames the new atheists for a polarizing and downright coarse approach to religion, but she sometimes also uses the same kind of polemical artillery (for instance in presenting the new atheists as a bunch of white, frustrated males, nostalgic to the days Britain still ruled the waves).
But make no mistake, Beattie is not a religious fanatic! In this book she clearly presents herself as a liberal, to a certain extent even adhering to secular values, and in that way absolutely opposed to religious extremism: “I would not like to live in a theocracy led by Rome or Canterbury and would not like to see the shouting and increasing number of ecclesiastical supporters of homophobes and misogynists triumph over secular, liberal values”, which is to her credit. In my view, many of her arguments against the new atheism certainly make sense, but the subject deserved a much more nuanced and less polemical treatment.
Even though I agree with almost all the substantial points this author makes,I'm still left feeling irritated by it! According to the presuppositions of the book this is probably because I am a white male European! This book is more polemic than debate and some great points are scored. I'm suspicious however of an argument which criticises most responses to new atheism for being too singularly masculine in the rationality of their approach whilst adopting aggressively one-sided denunciations of opponents views in support. This is an author who uses 'all' when she means 'many' and 'many' when she means 'some', and I feel would defend that style as appropriate as indicating the passion involved. There is a very good book inside this book but for me it loses its ability to influence the readers it needs and presumably seeks to because of its failure to recognise the value of elegance as a form of beauty.
Sinds 9/11 zijn de nieuwe atheïsten luidruchtig op het publieke forum, zowel in het lezingencircuit als via populaire publicaties (bijv. Richard Dawkins (God Delusion), Christopher Hitchens (God is not great), Daniel Dennett (Breaking the Spell), Sam Harris (The End of Faith)). Deze auteurs hebben de oorlog verklaard aan de religie, want een centrale stelling van deze nieuwe atheïsten is dat religie noodzakelijk gelinkt is aan geweld en terreur. “Dat elke vorm van religie irrationeel, onrealistisch en immoreel zou zijn, vat goed samen wat alle nieuwe atheïsten op een of andere manier beweren” (14). Een juist kaderen van deze discussie is daarom relevant voor de lezers.
Tina Beattie is professor ‘Catholic studies’ aan de Roehampton Universiteit te Londen. Ze is vooral bekend als katholiek feministisch theologe, en het kan dan misschien verbazen dat ze over de nieuwe atheïsten een boek heeft gepubliceerd. Beattie is zeker niet de enige of de eerste die met stevige kritiek op de nieuwe atheïsten komt. Wat is dan de meerwaarde van haar boek, zeker voor een vertaling van haar werk dat reeds in 2007 in het Engels is verschenen? Haar werk verschilt van andere kritieken op de nieuwe atheïsten op een aantal vlakken. Beattie vindt dat de meeste reacties te exclusief worden toegespitst op de rationaliteit van het geloof en de verdediging van God. Beattie biedt echter vanuit haar feministische invalshoek een boeiend alternatief perspectief op deze discussie. Ze beweert andere argumenten te gebruiken tegen het nieuwe atheïsme dan haar mannelijke collega’s. Haar werk is een poging om de discussie “open te trekken door ze in een bredere sociale en historische context te plaatsen” (13). Hoewel Beattie het eens is met de andere critici van de nieuwe atheïsten dat hun begrip van religie abominabel is, vindt ze toch dat hun gedachtegoed ernstig genomen moet worden omdat het een belangrijke stroming van de tijdsgeest weergeeft. Bovendien beaamt Beattie met de nieuwe atheïsten dat religies wel degelijk ontvankelijk zijn voor extremisme. Dit betekent niet dat Beattie mild is voor de nieuwe atheïsten, integendeel. Het gevaar van dit atheïsme bestaat erin dat het “alle kentekenen” begint “te vertonen van sommige uiterst destructieve ideologieën van de twintigste eeuw: het is allergisch voor elke vorm van andersheid en noemt zijn vijanden zonder blikken of blozen ‘boosaardig’, ‘ongedierte’ of ‘een pest’” (30). In acht hoofdstukken, die als afzonderlijke essays kunnen gelezen worden, schetst Beattie een breed kader om de wortels van het nieuwe atheïsme te begrijpen en de blinde vlekken van hun militant secularisme en sciëntisme bloot te leggen. Hoofdstuk 1 (De uitvinding van de wetenschap) toont hoe wetenschapsbeoefening in de tweede helft van de negentiende eeuw een volwaardig beroep wordt, en niet langer de hobby van geestelijken en theologen. Het “negentiende-eeuwse gevecht tussen wetenschap en religie [is] niet alleen een conflict tussen wetenschappelijke en religieuze verklaringen van de wereld, maar vooral een strijd om de macht tussen mannen van de wetenschap en mannen van God […]. Om de wetenschap over de theologie te doen zegevieren moest de theologische kennis onverbiddelijk in diskrediet worden gebracht” (37) . De negentiende eeuw bracht ons radicale denkers zoals Freud, Marx, en Darwin. Aan de ene kant zijn ze volop kinderen van de Verlichting met hun geloof in de vooruitgang door de wetenschap, anderzijds luidden hun radicale theorieën ook het einde van dat tijdperk in. Beattie merkt overigens fijntjes op dat ze in hun sociale relaties en levensstijl behoorlijk conservatief waren. Van die meesters van het wantrouwen zit alleen nog Darwin op zijn troon “omdat in de vroege twintigste eeuw de theorie van het creationisme is ontstaan” (57). In Hoofdstuk 2 (De wetenschapper en zijn religieuze tegenhanger) onderzoekt Beattie de ontstaansgeschiedenis van de begrippen ‘religie’ en ‘wetenschap’ in de negentiende eeuw. “Als we willen weten hoe ‘religie’ volgens Dawkins in de wereld functioneert, moeten we hem zien tegen de achtergrond van de negentiende-eeuwse geleerden die in hun eigen ogen bakens van vooruitgang waren in een wereld die overliep van onwetendheid en barbarij” (72). Beattie neemt het de nieuwe atheïsten erg kwalijk dat ze nog een negentiende-eeuws religieconcept hanteren en daarmee ironisch genoeg wetenschappelijk zwaar achterhaalde modellen volgen. Godsdienst werd daarin gezien als de tegenhanger van wetenschap en vormde vanuit die optiek dan ook een bedreiging voor wetenschappelijk rationalisme. Religies moesten dan ook zelf wetenschappelijk en ‘objectief’ bestudeerd worden, waarbij ze gerangschikt werden volgens welk stadium van de evolutie ze reeds hadden bereikt. Dergelijke wetenschappelijke benadering van godsdiensten zou zelf ook bijdragen tot de vooruitgang van beschavingen, precies in het loslaten van primitieve religie. Omdat de nieuwe atheïsten met zo’n religiebegrip werken, zijn ze niet in staat om positieve invloeden van religie op de samenleving te onderkennen. Dit leidt tot pijnlijk ridicule resultaten, zoals bij Christopher Hitchens die in zijn boek ontkent dat de geloofsovertuiging een (positieve) rol heeft gespeeld in het handelen van mensen als Dietrich Bonhoeffer of Martin Luther King. Beattie is niet mals: “Hitchens is zo ongehoord stompzinnig als hij het heeft over de Schrift en haar rol in het christelijk leven, dat er geen doorkomen aan is” (82). In Hoofdstuk 3 (De Verlichting en haar nasleep) wijst Beattie op de schaduwzijde van de Verlichting waarin de ‘man van de rede’ geplaatst wordt tegenover de hysterische vrouw, de westerse samenleving tegenover inferieure rassen, en waarbij heksen, slaven, en het milieu de slachtoffers zijn van een door zo’n rede beheerste cultuur. Hoofdstuk vier (Wetenschap, religie en oorlog) countert de nieuwe atheïsten in hun lezing van een oorzakelijk verband tussen religie en geweld. Het doet dit op twee manieren. Enerzijds door aan te tonen dat de relatie tussen religie en geweld veel complexer is dan de nieuwe atheïsten beweren, en anderzijds door weer te geven hoe er ook kwalijke linken kunnen blootgelegd worden tussen moderne wetenschap en militarisme. Beattie toont aan hoe de nieuwe atheïsten zelf verdeeld zijn in hun houding tegen de oorlog in Irak. Beattie is met name sterk wanneer ze opmerkt dat de nieuwe atheïsten een heel fundamentalistische Bijbellezing hanteren. “Het probleem is dat militante atheïsten onverbeterlijke fundamentalisten zijn als het op Schriftinterpretatie aankomt. … Ze citeren liever uit de Bijbel met een zin voor letterlijkheid waar de meest verbeten christelijke fundamentalist jaloers op zou zijn” (120). Hoofdstuk 5 (Wetenschap, theologie en politiek) is een kort hoofdstuk dat aangeeft dat er ook respectvolle dialoog bestaat tussen theologen en wetenschappers en dat bepaalde wetenschap (zoals bijv. kwantumfysica) de grenzen van de wetenschap blootlegt, een gegeven waar iemand als Dawkins volledig aan voorbij gaat. Beattie bespreekt in dit hoofdstuk ook hoe de in de Verenigde Staten populaire theorie van het intelligente ontwerp (intelligent design) een debat is met een verborgen culturele en politieke agenda. Hoofdstuk 6 (Geschiedenis, geloof en rede) schetst de wijze waarop de rede zowel gestalte heeft gegeven aan de westerse religieuze traditie als aan haar seculiere erfenis. De wijdverbreide opvatting van de nieuwe atheïsten is dat vooruitgang mogelijk gemaakt wordt wanneer de wetenschap zich ontvoogdt van religie. Beattie toont echter aan dat we onze moderne democratische samenlevingen niet kunnen begrijpen zonder inzicht in hun christelijke wortels. Vanuit feministische invalshoek pleit Beattie tevens voor een breder rede-begrip, een kwestie die ook gevolgen heeft voor de christelijke theologie. Hoofdstuk 7 (Kitsch, terreur en de postmoderne samenleving) toont aan dat ons postmoderne tijdsgewricht kwetsbaar is voor extremistisch geweld omdat “zowel bij postmoderne secularisten als bij religieuze extremisten het vertrouwen in politieke structuren en ethische waarden zoek is geraakt, en beide groepen overdreven veel belang aan identiteit en zelfexpressie hechten” (196). Hoewel religie dus een voedingsbodem van extremisme kan worden, stelt Beattie dat het christendom “de gevaren waartoe onze ongebreidelde religieuze instincten kunnen leiden” heeft beteugeld. Dit gebeurt door “een leerstellige en theologische visie uit te werken waarin de vrijheid van het individu en het goed van de gemeenschap met elkaar in evenwicht zijn” (204-205). In het laatste hoofdstuk (Creativiteit en het verhaal van God) pleit Beattie voor een ander spreken over God, dat minder exclusief getekend is door discussie over rationaliteit en wetenschap. Daarbij stelt ze twee godsbeelden tegenover elkaar: God als ‘intelligent ontwerper’ tegenover God als ‘scheppend genie’, waarbij het laatste duidelijk haar voorkeur wegdraagt. Dit werk biedt een kritische kennismaking met het gedachtegoed van de nieuwe atheïsten waarbij de auteur via een breed historisch-cultureel kader inzicht geeft in het ontstaan van dit militante atheïsme en haar tekortkomingen. We willen dit werk van harte aanbevelen .
This book is a valuable new contribution to the current debate on society, science and religion. Although written by an academic (Tina Beattie is Reader in Christian Studies at Roehampton University in the UK), this book is very readable and will be accessible to anyone interested in the issues.
In “The New Atheists” Beattie is not concerned to show who has the `right' answers, but rather to illuminate the nature of the debate. Starting with the historical roots of the feud, especially the nineteenth century, when the modern idea of science emerged, she shows that the entrenched positions of today are nothing new.
As a feminist she draws out the very aggressively white-alpha-male way in which the debate is being conducted. She also shows how much religious and atheist fundamentalists have in common in their failure to really listen, or to consider any evidence that conflicts with `how things must be'. She points out that "the new atheism ... has the same myth-making function as religious stories in seeking to offer an over-arching vision of the meaning and purpose of life".
As a latecomer to the current God debate, Beattie emerges as a very thoughtful and well-informed contributor than many of those within the debate itself. Her research is presented clearly, and her arguments mainly avoid sinking into the inflated rhetoric and cheap insults that characterise some of the literature she discusses. Although the subject matter is heavy, little prior knowledge is assumed, and difficult concepts are presented with admirable ease, making this book accessible to all who are willing to take the time to stop and think.
It is refreshing to read a feminist's approach to the New Atheists. She sets the New Atheism in historical context and delivers a brilliant performance. I would take issue with the previous reviewer, I did not find her account too aggressive at all but empathised completely with the points made. Bravo.
There are many better books giving a theological response to the new atheism. This one feels more like a series of undergraduate essays. Try Eagleton's 'Reason, Faith and Revolution' or David Bentley Hart's 'Atheist Delusions' for a much more enjoyable, robust and engaging read.
I agreed with most of the things that the writer had to say, but Beattie was not harsh enough with the opinionated and philosophically cynical opponents of her position. She does score a few points in her demonstration of their touching faith and belief in empiricism, though.