Max Eugène Venkenray werkt als aircomonteur in een winkelcentrum. Zijn vrije uren verdeelt hij tussen zijn vriend Jimbo, met wie hij ooit in de band Crying In A White Dress of Hope speelde, zijn oudere broer Gertjan, die kunstzinnige experimenten met cavia’s uitvoert, en Andy, barman van Hotel Splendid, waar Max een kamer bewoont. ‘Wellness is a state of total well-being’ deelt een reclameboodschap hem dagelijks mee – maar zijn eigen staat van welbevinden lijkt verder weg dan ooit, als de spoken van het verleden hem steeds meer beginnen te achtervolgen.Vaders en zonen, schuld en boete en de beste metalnummers van de jaren in deze verbazende roman benadert Paul Baeten Gronda de hoofd- en bijzaken steeds met eenzelfde dosis bijtende humor.
Was ik een uitgever, ik stuurde de man terug met de woorden: "veelbelovend, herwerk het nog een keer of twintig, en misschien komt er wel iets zinnigs uit". Maar ik ben geen uitgever, enkel een vervelend ventje dat af en toe eens een recensie schrijft.
Not even worth the one star usually reserved for unenjoyable books. The author appears to be popular among his fellow book critics only in the hope of being spared in a next review, no reader however would mistake this rubbish for literature though.
Usually I intend 'Toilet literature' to mean something positive, i.e. a highly entertaining collection that is best enjoyed when reading it in small portions. In this case however, it is purely negative. It is unimaginable to read this load of crap in one, long stretch. Without the least consideration to make his flow of words interesting for the readers, Paul Baeten Gronda meanders on about the silly ideas of poorly described characters. The major flaw of this book must be that it doesn't seem to go anywhere and, on its way to nowhere, doesn't even accidentally stumble upon an interesting spot.
Almost every paragraph in the book introduces new characters, while you haven't even found out why you would be interested in the previous ones. Our storyteller is Max Eugène Venkenray, a name that is only slighly uglier than the name of our author. Most of the time Max Eugène just vents his irritations about the people he meets, while he himself lives in a hotel at the expense of his grandfather's inheritance, buys shirts he can't afford and fantasizes about women he can't seduce.
It's all just one big attempt to write some kind of The Catcher in the Rye, or imitate Herman Brusselmans and maybe Bukowski. I don't know if those were Gronda's examples, but his novel feels so déjà vu and like a poor imitation of those people, without the humour, the poignancy or depth of the others.
IK houd wel van de schrijfstijl van Paul. Dat ontdekte ik bij het lezen van "Kentucky, mijn land". Dat las ik voorig jaar. Dit jaar las ik zijn debuut.
Een reunie met de ietwat sarachastische schrijfstijl, had ik verwacht. Het is een kunst om het triestige grappig te maken zonder oneerbiedig te zijn voor de emotie. "Nemen wij dan samen..." is een traag verhaal, dat langzaam het doek wegtrekt en boeit door zijn opbouw. & charmeert door zijn personages (moeder dokter, JayJay,...).
De elementen van een goed boek (voor mij) zijn er allemaal. Ik zou het dus aanraden aan mensen die mijn smaak delen...