De aarde is stervende: de poolkappen smelten, de oceanen zijn vervuild, onze longen worden langzaam bruin van de luchtverontreiniging. Orkanen, bosbranden en andere natuurrampen vliegen ons om de oren. Meedogenloze dictators worden verkozen. Woede overheerst het maatschappelijk debat. Tegelijkertijd verliezen woorden hun rijkdom aan betekenissen, hun gelaagdheid sterft langzaamaan af en ons taalgevoel verschrompelt. Alles moet steeds sneller gaan, alles moet maximaal productief zijn, alles moet opbrengen, renderen, opleveren. In Xenomorf tekent Jens Meijen hiertegen verzet aan. Zijn gedichten doen een grote greep. De intelligentie en het taalplezier spatten van de pagina’s af. Woest, meerstemmig en hartstochtelijk gaat hij de strijd aan met eenzijdigheid en onverdraagzaamheid.
Jens Meijen (1996) rondde de masters Westerse Literatuur, Literatuurwetenschappen en Europese studies af aan de KU Leuven. Daarnaast is hij journalist, recensent en columnist bij Humo en De Morgen, redacteur bij Greenpeace Belgium en lid van de kernredactie van literair tijdschrift dw b. Hij publiceerde ook nog in De Revisor, deFusie, Hard//hoofd en Deus Ex Machina. Hij was de eerste Jonge Dichter des Vaderlands van België. Xenomorf (2019) is zijn debuutbundel, De lichtjaren (2021) is zijn debuutroman.
Deze bundel deed me een beetje denken aan Zusterstad 2.0 van Astrid Lampe. "We schrijven samen een encyclopedie van het uitsterven" zegt Xenomorf. Astrid Lampe kijkt wat meer naar de sociaal-politieke situatie, Jens Meijer wat meer naar de ecologische en culturele situatie, maar alles zit erin. Veel woorden, veel ideeën. Alles in de mixer. Een dichter in een versnipperde wereld, die zichtbaar wordt gemaakt in taal. Het titelgedicht, Xenomorf, komt op mij over als een verslag van een paddestoelentrip, en zo leest de hele bundel een beetje: beelden die overgaan in andere beelden die overgaan in andere beelden, in een hortend en stotend ritme, met een gevoel van eindtijd groot op de achtergrond. De blik is eerder natuurwetenschappelijk dan psychologisch, al is de "ik" nadrukkelijk aanwezig in alle beschouwelijke getinte innerlijke monologen, als tijd- en ruimtereiziger in de chaos. Deze bundel biedt de leeservaring van snel scrollen, via het hoofd van een ander, door het wereldnieuws, complottheoriën, natuurdocumentaires, nieuwe wetenschappelijk bevindingen, Netflix, Wikipedia, kunstpagina's, advertenties, wereldliteratuur. Ik hou van poëzie die niet alleen over mensen en hun relaties gaat, maar de blik ook naar buiten richt. Maar in deze bundel is het wel erg veel, erg dicht op elkaar, erg chaotisch, en daardoor is het veel werk om de bundel door te komen en hem je eigen te maken. Het is me nog niet helemaal gelukt. Er zit echter veel moois in. Volgens de achterflap gaat het in deze bundel om verzet tegen de wereld zoals hij nu is, om een strijd tegen eenzijdigheid en onverdraagzaamheid, maar de gedichten zijn te grillig om er zo'n eenduidig betoog overheen te leggen. Kan een bundel niet gewoon over de wereld gaan zonder een simpel standpunt opgeplakt te krijgen? Alsof poëzie een stempeltje van morele goedkeuring nodig heeft: deze bundel is politiek-correct, u kunt hem veilig lezen. De taal is rijk, de dichter is verliefd op mooie woorden, zoals al uit de titel blijkt. De blik is op de wereld, de natuur, de geologie, de kosmos, de literatuur, het lichaam, de biologie, de steden, de sterren gericht, op alles tegelijk. Er is een verwijzing naar "De God denkbaar denkbaar de God" van W.F. Hermans. Er zijn veelvuldige perspectiefwisselingen, van lichaam naar heelal en terug; alle mythen der mensheid komen tussendoor, er is sprake van tijdreizigers, Isaac Asimov, Kafka, Prometheus, Walhalla, Big Data, Peter Pan, Dode Zeerollen, Sylvia Plath. Veel klinkt filosofisch, maar poëtisch-filosofisch, dus zonder echte betooglijn. Het is een rijke bundel, maar ietwat vormloos. Zoals het world wide web. De kern van de bundel is het gevoel als geestelijk reiziger in een materiële eindtijd te leven: "het is heel menselijk om jezelf langzaam langzaam zachtjes zachtjes fluisterend uit te roeien." (zegt een specht)
Opent bijzonder sterk, met enkele schitterende gedichten: bijzonder rijke beeldtaal, onderkoelde humor, stevige tot denken aanzettende standpunten, sloganeske uitbarstingen en grimmige oneliners. De tweede helft van de bundel heeft wat te lijden aan haast- en vliegwerk (?), lijkt mij. Hoe dan ook, is het uitkijken naar Meijens romandebuut DE LICHTJAREN dat in mei verschijnt bij de immer bezige Bij. Deze jonge kerel kan schrijven, hoor.
“In het zesde leerjaar gaf ik een spreekbeurt over de verschillende manieren waarop de wereld kan eindigen.”
Ja, dit is goed, dit is heel goed. In bijna elk gedicht waren er meerdere regels of strofes die ik als aantekening wilde opschrijven, maar het waren er uiteindelijk zoveel dat ik eigenlijk gewoon de hele bundel kon overschrijven. Geen enkel woord hierin is overbodig of niet op zijn plaats. De afwisseling tussen mild en wreed, uitgezoomd en gedetailleerd, abstract en specifiek, gewoon alles is in balans. Elke zin is urgent, er is een duidelijke stem die duidelijke keuzes heeft gemaakt en duidelijk weet waar hij voor staat en duidelijk weet hoe hij dat moet doen.
“Wanneer het zover is zul je niemand door de kop moeten schieten of wurgen of elektrocuteren. Je zal namen moeten afvinken, Excel-documenten invullen, externe harde schijven formatteren, fout gespelde namen corrigeren om toch maar de juiste dissident of wat maakt het ook uit”
"Ik zou de wereld rond willen reizen en elke regenachtige nacht in mijn broekzak stoppen.
Daar misschien iets moois van maken zoals ik dat vroeger deed met de herfstbladeren die van je hoofd vielen.
Ik zal er een vogelhuisje van bouwen waar een specht zal wonen die zijn kop naar buiten steekt en zegt: het is heel menselijk om jezelf langzaam langzaam zachtjes zachtjes fluisterend uit te roeien."
Toen ik de eerste gedichten had gelezen en de rest doorbladerd, schreef ik dit alvast:
Gruzelementen en Azkaban, neologismen, en heel die beeldende taal om het te hebben over de kern van de zaak (de mens, de natuur) én de echte kern daar nog onder (jij en ik, de liefde): dit is een bundel van onze tijd.
'Maar ik vraag me af: / wat is het punt van tijdreizen / als je weet hoe het eindigt?' Die vraag geldt misschien ook voor deze bundel. Wat is het punt van de poëzie als de wereld eindigt? Ik denk dat het antwoord in de reis zelf, in de woorden zelf zit.
Nu ik ook de rest heb gelezen, blijft echter vooral een gevoel achter dat ik ook had toen ik die andere spin van botten las, Bob Dylans Tarantula, en weet ik niet meer waar ik het antwoord moet zoeken.
I'm not sure what to say... Of all 36 poems, I honestly could only relate to 6 of them. That is kind of a disappointment to me. Those I did understand well, I had to read a couple of times too. I dislike it when poems go that deep that I don't understand at all. I don't think I'll read Meijen again soon.
Omhoog afgerond, want een sprankelend debuut. Dit zou eigenlijk een typische 7/10 zijn voor mij: zeer origineel van opzet, prachtige taal, ietwat té postmodern naar mijn smaak, maar altijd intrigerend. Soms mis ik een verhaallijn, dan wringt het qua (het ontbreken van een) boodschap. Maar dat zal ongetwijfeld aan mijn eigen capaciteiten liggen. Jens Meijen is er een om in de gaten te houden.
Hoewel de thema’s (klimaat, dieren, …) mij aanspreken kon deze dichtbundel mij niet bekoren. Na twee gedichten had ik het eigenlijk al gezien. Zelfs doorbladeren en af en toe wat lezen voelde meer als een opgave dan een plezier. Was niet echt mijn ding.