Hajar en Daan las ik voor het eerst iets na verschijnen, rond 2006/2007 denk ik, ik dus tiener en altijd onmogelijk verliefd, maar ook altijd boos op de wereld en de systemen in die wereld. In die twintig jaar sinds verschijnen is er veel verschroeid aan deze roman, het is vooral heel erg bijdehand om het bijdehand willen zijn, veel te wijdlopig, maar het vuurtje laait ook weer op: ik weet meteen weer, voel meteen weer, hoe kwaad ik was in de tijd dat ik deze roman las, en wat een verademing het was om die woede terug te zien op papier, net als, meer nog eigenlijk, bij Red ons, Moria Montanelli - al vond ik Koch toen al sterker.
Al mijn frustratie over het onderwijs las ik hier terug, op papier bij Koch en bij Anker en ook, in die ene column over het nieuwe leren, bij Zwagerman. Terug naar Hajar en Daan: al het gedoe over het onderwijs blijft overeind, de grapjes zijn wat achterhaald, zeker de zogenaamd bevrijdende geestigheden over moslims, joden, homo’s enzovoorts enzoverder, maar het getier over de scholen is immer actueel, een deel van de politieke statements evengoed, en dan is er nog die lijn over de liefde. Aan de ene kant is die compleet geloofwaardig, als in dat mensen soms gewoon voor elkaar vallen, maar wat hebben ze dan gemeen, deze Daan Hollander (what’s in a name?) en Hajar Nait Sibaha? Hij toont zich de eerste helft van de roman een nogal bewust onwetende lul, zij is veel slimmer en ambitieuzer, wat is er dan meer behalve de lust? Kun je daar liefde op bouwen? Nu, en kleine twintig jaar na mijn eerste lezing (en dus enige ervaring rijker) vraag ik me dat af. Maar ik heb wel mooi in een weekje weer al mijn tienerlijke liefdesverdrietjes en hoofdpijnzaken herleefd.