Harry Francis Mallgrave combines a history of ideas about architectural experience with the latest insights from the fields of neuroscience, cognitive science and evolutionary biology to make a powerful argument about the nature and future of architectural design.
Today, the sciences have granted us the tools to help us understand better than ever before the precise ways in which the built environment can affect the building user's individual experience. Through an understanding of these tools, architects should be able to become better designers, prioritizing the experience of space - the emotional and aesthetic responses, and the sense of homeostatic well-being, of those who will occupy any designed environment. In From Object to Experience , Mallgrave goes further, arguing that it should also be possible to build an effective new cultural ethos for architectural practice.
Drawing upon a range of humanistic and biological sources, and emphasizing the far-reaching implications of new neuroscientific discoveries and models, this book brings up-to-date insights and theoretical clarity to a position that was once considered revolutionary but is fast becoming accepted in architecture.
De gebouwde omgeving, dat ben je zelf. We denken allemaal dat de mens zijn fysieke omgeving waarneemt en daar vervolgens mentale betekenis aan geeft. Dat impliceert dat de mens en de omgeving twee verschillende zaken zijn, en dat waarnemen en denken los te zien zijn van elkaar. Mallgrave laat in zijn “Object as experience” zien dat deze vooronderstellingen niet kloppen: de gebouwde omgeving beïnvloedt direct ons hele zijn. Dus als we die omgeving niet goed ontwerpen, verpieteren we en gaat uiteindelijk de mensenlijke soort ten onder. Dat is nogal een statement! Hoe komt Mallgrave daar nou bij? In een intrigerende combinatie van architectuurtheorie, neurologisch onderzoek en paleontologische ontdekkingen laat hij zien dat we in de 21e eeuw zo veel nieuwe kennis hebben opgedaan, dat we ons hele denken over de fysieke leefomgeving moeten omgooien. Het is geen ‘omgeving’ die zich ergens ‘om ons heen’ bevindt, we zijn er met ons hele lichaam onderdeel van, en vice versa. Dat heeft ten eerste neurologische verklaringen. We ervaren ons hele lichaam in de interactie met de ruimte om ons heen; het gaat niet eerst naar de zintuigen en dan naar ons brein, het is in ons hele lichaam tegelijk. Als we een beeld zien van een spin die over een hand heen kruipt, nemen we dat waar met onze handen. Als we door een straat met alleen strakke glazen gevels lopen, nemen we dat waar met onze voeten en gaan we harder lopen. Dit komt door zogeheten spiegelneuronen, onderdelen van de hersenen die geactiveerd worden als we een activiteit zien zonder dat we deze zelf uitvoeren. Dan de paleontologische verklaring. De mens is een beweeglijke diersoort met een buitengewoon groot brein. Dat brein is evolutionair zo gegroeid nadat homo sapiens in steeds grotere groepen ging samenleven, miljoenen jaren geleden. In diezelfde tijd ontstond een natuurlijk gevoel voor orde en schoonheid in dat brein; het herkennen van patronen in de leefomgeving hielp in het navigeren van de steeds complexere wereld, zowel sociaal als fysiek. Ons brein is nog steeds in grote lijnen hetzelfde als toen. In 250 jaar technologische versnelling heeft het nog niet de kans gehad zich evolutionair aan te passen, daar gaan duizenden jaren overheen. Het brein is dus niet meegegroeid met de voortschrijdende techniek van steeds snellere voertuigen, steeds gevaarlijker wapens, steeds nieuwere materialen. We voelen ons meer thuis in omgevingen waar het prettig is om te lopen, zoals historische Europese binnensteden, dan in grootschalige twintigste-eeuwse stedelijkheid waar je met de auto doorheen gaat. We bewegen graag, omdat we daarmee nieuwe mogelijkheden en gedachten ontdekken in de interactie tussen ons lichaam en de omgeving, en dat vinden prettig. We worden gezonder van alleen al kijken naar plaatjes van de natuur, laat staan het daadwerkelijk ervaren van een natuurlijke omgeving. Als dit onwaarschijnlijk klinkt: Mallgrave komt ook hier weer met overtuigende neurologische onderbouwing. Onze omgeving en onze lichamen zijn direct met elkaar verbonden, met onze hersenen als zenuwcentrum wat in miljoenen jaren langzaam verandert, en sinds twee eeuwen de snelle veranderingen niet altijd meer bij kan houden. Agressie was er altijd, alleen de huidige beschikbare wapens zorgen voor de ellende omdat onze emoties niet mee zijn gegroeid met de techniek. Dat betekent nogal wat voor architecten en ontwerpers. Mallgrave wil dat ontwerpers gaan denken vanuit de ervaring van het hele menselijke lichaam. Ontwerp niet alleen voor het oog, maar ook voor alles wat andere lichaamsdelen ervaren; geluid, geur, warmte, licht. Ga niet uit van een anonieme ‘gebruiker’ maar probeer te begrijpen hoe het menselijk organisme kan floreren in de omgeving die je ontwerpt – want mensen zijn geen passieve gebruikers van hun omgeving, maar geven er actief betekenis aan. Is dat nou helemaal nieuw? De onderbouwing die Mallgrave hier voor geeft is dat zeker. Hij maakt gebruik van het meest recente onderzoek en ontdekkingen die 20 jaar geleden nog niet bekend waren. Aan de andere kant zijn de inzichten die Mallgrave poneert eerder een bevestiging van wat iedereen stiekem al weet. Het is impliciete, pragmatische kennis die in al onze lichamen zit, want we gaan allemaal harder lopen op een industrieterrein dan in een levendige stadsstraat. En dat de fysieke omgeving onze sociale en culture ontplooiing kan fnuiken of stimuleren, dat was in de jaren ’90 ook al bekend, lang voordat we wisten wat spiegelneuronen waren, zie hier. Maar wat geeft dat? Hoe meer bewijs dat ontwerp er toe doet, en dat we moeten ontwerpen voor menselijke lichamen in plaats van technieken, des te beter.