Winner of the prestigious Prix Medicis and a bestseller in France, My Big Apartment is a humorous and ironic look at the serious subject of growing up. Always accessible but never facile, Christian Oster's books tell of the endless human quest for love and equilibrium in the world. Oster's gift is to make this timeless theme new through deadpan humor, a slyly cerebral style, and a deeply ingrained sense of melancholy.
Gavarine, the gentle but immature protagonist of My Big Apartment , is ambitious only in the search for love. When he loses the keys to his apartment, he loses much more than access to his home. Yet through a true comedy of errors Gavarine ends up finding everything he was looking for, in a way he could never have expected.
Though My Big Apartment can be read purely as a wry romantic comedy, the language is unfailingly rich in implications; there is always more going on in this story than meets the eye. At once unapologetically sentimental and overtly intellectual, Oster's writing belongs to that particular strain of French literature in which seriousness and jest, or passion and the cerebral, fruitfully coexist without effort or contradiction.
Christian Oster was born in 1949. He is the author of over 15 novels, as well as numerous books for children. Among his titles, My Big Apartment (1999) won the prestigious Prix Médicis, and A Cleaning Woman (2001) was made into a feature film by Claude Berri. He lives in Paris.
Over Mijn grote appartement van Christian Oster (vert. Kiki Coumans & Katrien Vandenberghe), Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2017, ISBN 9789078627364 / 176p.
Het is eerder zeldzaam dat de wervende zinnen op de achterflap – bedoeld om de potentiële lezer tot aankoop te verleiden – effectief ook de waarheid vertellen. Soms koop je dan een kat in een zak. Dat is anders bij Mijn grote appartement van Christian Oster (1949). Want daar staat achterop te lezen: ‘Al in de openingszinnen van het boek is fijntjes duidelijk dat dit geen gewone roman is.’ Het gevoel dat dit geen roman is als een ander overvalt de lezer inderdaad al meteen vanaf de eerste zinnen:
Mijn naam is Gavarin en ik wil graag iets zeggen. Toen ik op een avond thuiskwam, bleef ik voor mijn deur staan. Strikt genomen was het niet mijn deur. Het glazen exemplaar deed niet méér dan de hal afsluiten in het pand waar ik woonde.
Deze badinerende, nauwkeurig beschrijvende en spreektalige stijl is typerend voor Oster. Door sommige beweringen, beschrijvingen of situaties letterlijk te nemen en tot op het bot te beschrijven, loodst hij zijn lezers op subtiele wijze zijn absurdistisch universum binnen.
Oster Christian Oster, een literaire duizendpoot die op achtentwintig jaar tijd achttien romans schreef, is in Frankrijk een gerespecteerd en gevierd auteur. Midden jaren tachtig debuteerde hij door op korte tijd drie polars in de reeks ‘Engrenage’ te publiceren bij de populaire uitgeverij Fleuves Noires (tegenwoordig kortweg Fleuve). Voor uitgeverij L’école des loisirs schreef hij vanaf 1998 meer dan twintig kinderboeken, die allemaal als zoete broodjes verkopen, erg grappige titels hebben én ook voor volwassen lezers een heuse traktatie zijn door het steeds vindingrijke spel met het sprookjesgenre. In 1989 debuteerde Oster als romancier met Volley-ball bij het gerenommeerde Les Éditions de Minuit.
Oster publiceerde in totaal veertien romans bij Minuit. Een daarvan, Une femme de ménage, werd in 2002 – nogal middelmatig – verfilmd door Claude Berri, maar het absolute hoogtepunt uit zijn Minuit-periode was ongetwijfeld de Prix Médicis die hij met Mijn grote appartement won in 1999. Sinds Rouler uit 2011 verschijnen Osters boeken bij Éditions de l’Olivier, waaronder ook zijn recentste roman La vie automatique (2017).
Hoe zit het met de receptie van zijn werk in ons taalgebied? Osters debuutroman Volleybal werd in 1990 vertaald door Henne van der Kooy voor Van Gennep. Pas in 2014 verschenen er andere vertalingen van Osters werk. Toen vertaalde Kiki Coumans In de trein voor uitgeverij Vleugels/Studio 3005. Diezelfde uitgever en vertaalster (dit keer samen met Katrien Vandenberghe) leveren nu, achttien jaar na de oorspronkelijke publicatiedatum, een prima vertaling af van wat wellicht Osters bekendste werk is: Mijn grote appartement.
Sleutelroman Oster stelde in een interview dat al zijn romans ‘romans de route’ zijn. Net als In de trein zit Mijn grote appartement boordevol verplaatsingen, dynamiek en beweging, en in beide romans speelt een tas een centrale rol. Nochtans begint Mijn grote appartement met een impasse. Het hoofdpersonage Gavarin staat voor de deur van zijn eigen appartement omdat hij zijn sleutels kwijt is. Of juister, zijn sleutels zitten in zijn tas en die is hij ‘vergeten, ergens’, hoewel hij er een nauwe en bijzondere band mee heeft:
Die tas was een deel van mezelf geworden. Bij gebrek aan een completere zelfdefinitie is het zelfs niet overdreven te stellen dat ook het omgekeerde waar was en ik een deel van mijn tas was geworden. Kortom, dat ik volgens mij geheel in mijn tas besloten lag.
Dat hij niet meer binnen kan is slechts het begin van een hoop ellende die Gavarin zal overkomen. Hij schildert zichzelf graag af als een kneusje, voortdurend hengelend naar de sympathie en het medeleven van de lezer:
Want dat is weer een andere kant van de zaak, ik was bang te vallen. Ik verwachtte dat ik zou vallen. Ik viel in feite al. Het ergste verwachten, iets ergers dan onderuitgaan, en intussen op je gezicht gaan, dat was zo’n beetje mijn visie op het leven.
Een beetje verder klinkt het: ‘Droefheid was mijn habitat’. Die ontboezeming is niet onterecht, want behalve zijn tas en zijn sleutels is Gavarin namelijk ook zijn werk kwijt. Bovendien geeft Anne Lebedel, de vriendin met wie hij sinds kort samenwoont in het grote appartement, niet thuis en lijkt ze met de noorderzon vertrokken. Gavarin worstelt met de gedachte dat Anne misschien een briefje in zijn tas heeft gestopt, wat hij uiteindelijk een voordeel bij een nadeel vindt en een ‘geslaagde mislukking’ noemt:
Mijn tas, niet de leegte in mijn tas, maar wel de afwezigheid van mijn tas, dacht ik bij mezelf, zou weleens een verklaring kunnen zijn voor Annes stilte over haar eigen afwezigheid […] Omdat ze vanochtend voor ik vertrok naar mijn werk, de plaats van mijn werk, een briefje in die tas kan hebben gestopt. Een verklarend briefje. Meer bepaald een afscheidsbriefje. Dat zou pas ideaal zijn. De perfect geslaagde mislukking.
Vanuit een telefooncel belt Gavarin naar zijn antwoordapparaat, maar er is geen enkele boodschap. Hij gaat dan maar naar de kapper (‘Ik wilde een ander hoofd’) en neemt zijn intrek in het eerste het beste hotel. Wanneer hij van daaruit opnieuw naar huis belt, is er een boodschap van Marge, een geliefde van tien jaar geleden. Nadat hij in een poging om zichzelf te sussen een nieuwe tas koopt, belt hij Marge terug en spreekt met haar af in het zwembad.
In het zwembad komt het verhaal in een stroomversnelling terecht en neemt een onverwachte wending; een techniek waar doorgewinterde Oster-lezers niet meer van schrikken. Na een hilarische omkleedbeurt in de te kleine hokjes treedt Gavarin het bad binnen en wacht hij op Marge. Wanneer hij oog in oog met haar staat, herkent ze hem niet en besluit hij haar te ontwijken. In het bad maakt hij kennis met de hoogzwangere Flore, wier glimlach hem doet ‘besluiten’ verliefd op haar te worden:
Men begrijpt wel dat dat moment, toen ik die vrouw ontdekte, toen ikzelf voor haar ogen verscheen, en, naar mijn indruk, al in haar leven, men begrijpt dus dat de ontdekking van deze vrouw, van wie de buik met de weergaloosheid van iedere triomf alle andere buiken wegvaagde, voor mij een beslissende stap betekende.
Eenmaal uit het bad vertelt Flore dat ze de volgende dag (met de trein) naar haar broer Jean in de Corrèze reist om daar te bevallen. Gavarin heeft niets te verliezen en stelt voor haar te vergezellen. Hij bekent de lezers dat hij een groot appartement had (of heeft, naargelang hoe u het bekijkt) juist omdat hij altijd al kinderen had gewild. In een van de meest memorabele scènes uit de roman assisteert Gavarin Flore in het ziekenhuis bij de geboorte van een dochter, Maude. Gavarin laat aan iedereen die het horen wil doorschijnen dat hij de vader is. Na de bevalling logeert hij bij Jean, die de beheerder is van een grot waarin hij rondleidingen voor toeristen voorziet. Een van de gidsen komt niet opdagen en Jean neemt Gavarin in dienst. Hij krijgt de sleutels tot de poort die de grot afsluit. En zo heeft Gavarin dan toch, eindelijk, sleutels in de hand.
Gavarin vs Gagarin Vlak voor de bevalling heeft Gavarin volgend gesprek met Flore:
Goed, zei ik. Dan zal ik u een verhaaltje vertellen. Het is niet grappig. O nee, zei ze, alstublieft niet! Goed, zei ik. Waar gaat het over? Ze had haar hoofd weer naar me toe gedraaid. Het is het verhaal van een man met een tas, begon ik. En weet u wat? Er zat niets in zijn tas. Dat is geen verhaaltje, zei Flore. Bovendien komt het me bekend voor. Het is misschien geen verhaaltje, zei ik, maar het is wel mijn tas. En wilt u weten hoe het verdergaat?
De hechte band die Gavarin heeft met zijn tas gaat de hele roman mee. Het is een overduidelijke metafoor voor zijn lege en hopeloze bestaan. Aangezien zijn sleutels in de tas zitten, staat hij machteloos voor de deur die hem de toegang tot een mogelijk meer rooskleurige toekomst ontzegt. Pas wanneer hij de rol van vader en geliefde opneemt, krijgt zijn leven inhoud en neemt het belang van de tas af. Niet toevallig krijgt hij pas helemaal op het einde de sleutels tot Jeans grot: voor het leefbaarder alternatief van zijn ‘grote appartement’ krijgt hij wél de mogelijkheid om binnen te treden, door zijn eigen toedoen en daadkracht.
Gavarin is een typische Oster-held. Een zonderling, een eenzaat, ten prooi aan hopeloosheid, een windmolenstrijder, een luchtfietser. Na de bevalling van Flore, wanneer Gavarin de navelstreng heeft doorgeknipt, zegt de verloskundige dat ze hem niet meer direct nodig heeft. Gavarins spontane antwoord heeft meer dan één betekenis:
Ik ook niet. Ik had mezelf ook niet meer nodig. Alleen een stoel. En de anderen.
Gavarins vrijwillig gekozen vaderschap geeft een nieuw elan aan zijn leven, het geeft zijn bestaan een tweede adem. Hij lijkt zichzelf – uiteindelijk – dan tóch nodig te hebben, om te functioneren samen mét de anderen. Tot voor de geboorte van Maude is hij doortrokken van een innemende knulligheid die aan monsieur Hulot doet denken, met het enige verschil dat Gavarin een kletskous is en Tati’s personage geen woord zegt. Vanaf de eerste pagina’s is het duidelijk dat er iets schort aan Gavarin, dat er een hoek af is. Hij is maanziek, een onvervalste Pierrot lunaire, een trieste clown van de moderniteit, een Hulot van vandaag. Gavarin moet zich even eenzaam voelen als Joeri Gagarin, de eerste mens in de ruimte, zich gevoeld moet hebben toen die als enige bemanningslid met de Vostok gedurende honderdacht minuten in de ruimte rondzweefde. Dat de namen Gagarin en Gavarin maar één letter verschillen is dan ook geen toeval.
Het is interessant om weten dat in het oorspronkelijke Frans Gavarins naam met een extra ‘e’ op het einde wordt geschreven. Ik brak er mijn hoofd over waarom de vertaalsters kozen voor Gavarin, zonder ‘e’ achteraan dus. Ik ging te rade bij een van de vertaalsters, Kiki Coumans. De verklaring brengt ons terug bij onze Russische kosmonaut, zo deed Coumans mij uit de doeken. In het Frans weet de lezer al vanaf de tweede zin dat het om een man gaat (‘je me suis arrêté devant ma porte’), maar in het Nederlands helemaal niet. ‘Gavarine’ klinkt bovendien vrij vrouwelijk. De vertaalsters hebben deze kwestie aan de auteur voorgelegd en die vond het compromis ‘Gavarin’ een uitstekend idee. Zolang de naam geleek op die van de Russische ruimtevaarder zag Oster geen probleem. In het Frans wordt Joeri Gagarin als ‘Youri Gagarine’ getranscribeerd, vandaar ‘Gavarine’ in de originele tekst. In het Nederlands wordt dat simpelweg ‘Joeri Gagarin’ en dus ‘Luc Gavarin’. De elegante oplossing Gavarin spreekt alleen maar in het voordeel van een vertaling die het zwierige Frans van Oster nauwkeurig en trouw aan het origineel weergeeft.
Want, zoveel is zeker, Oster vertalen blijft een uitdaging, hoe eenvoudig de zinnen er op het eerste gezicht ook mogen uitzien. De grote kracht van deze roman is dan ook de originele taal. Osters taalwetten hebben een geheel eigen logica. Vanaf de openingszinnen krijg je het gevoel heel nauw betrokken te zijn bij de vertelling. Gavarin wil de lezer direct aanspreken, deelgenoot maken van zijn lot. Zinnen met een dubbele bodem – die mogelijk misverstaan zouden kunnen worden – voorziet hij steevast van een verantwoording of meer uitleg, zodat de lezer het verhaal krijgt zoals het ‘strikt genomen’ werkelijk is gebeurd. Soms is Gavarin heel breedvoerig en verliest hij zich in ellenlange beschouwingen die steeds aflopen op een sisser of zichzelf op de staart trappen, maar nooit vervelen. Als ik-verteller spreekt Gavarin de lezer hier en daar ook rechtstreeks aan. Tot zichzelf richt hij zich dan weer in de tweede persoon, in eerste instantie om zichzelf tot de orde te roepen of een eerder uitgewerkte beschouwing te herroepen of te nuanceren. Osters dialogen zijn ook om van te smullen: die zinderen van levendigheid en zijn meer dan eens erg grappig. Dat Mijn grote appartement bulkt van de taalspelletjes verhoogt alleen maar het leesplezier:
Van de twee uur die ik nog had voordat het tijd was om naar het stationsloket te gaan, doodde ik er maar één. Het beet kranig van zich af. Trots en tartend ding, dat uur.
Voeg daarbij nog de constante, subtiel in het verhaal verweven humor (zie bijvoorbeeld het voor iedere zwemmer herkenbare stuk in de pashokjes) en je krijgt zoals initieel beloofd op de achterflap een ‘ongewone’ roman waar weinig of niets op af te dingen valt. Het is zonder enige twijfel de meest originele ‘sleutelroman’ die ik ooit las.
Meteen na "In de trein" las ik "Mijn grote appartement", waarmee Christian Oster in in 1999 de Prix Médicis won. En ik genoot daar zelfs nog meer van dan van "In de trein". Want "Mijn grote appartement" is naar mijn smaak zelfs nog grappiger, nog weemoediger, nog absurdistischer, en nog aanstekelijker gevuld met onbestemdheid en leegte. Waarbij die leegte niet breed wordt uitgemeten in nadrukkelijke zinnen vol tragiek, maar op laconieke en onnadrukkelijke wijze voelbaar wordt gemaakt tussen de regels door. En juist dat is zo kenmerkend voor Osters zo unieke stijl en toon, die ook in het Nederlands van Kiki Coumans en Katrien Vandenberghe prima tot hun recht komen.
De eerste alinea bestaat uit één korte, ongewone zin: "Mijn naam is Gavarin en ik wil graag iets zeggen". De korte alinea daarna is eveneens vrij ongewoon: "Toen ik op een avond thuiskwam, bleef ik voor mijn deur staan. Strikt genomen was het niet mijn deur. Het glazen exemplaar deed niets méér dan de hal afsluiten in het pand waar ik woonde". Hoe vreemd: iemand die thuiskomt, en memoreert dat de deur van zijn appartement eigenlijk niet echt zijn deur is, maar eerder de afsluiting van de hal. En daarna wordt in nog een aantal andere licht ongewone zinnen geschetst dat Gavarin niet zozeer treurt om zijn sleutels, en ook niet omdat hij zijn appartement niet in kan, maar om de tas die hij kwijt is. Want: "Zonder mijn tas was ik niets. Voelde ik mij naakt". Meer nog: "Die tas was een deel van mezelf geworden. Bij een gebrek aan een completere zelfdefinitie is het zelfs niet overdreven te stellen dat ook het omgekeerde waar was en ik een deel van mijn tas was geworden. Kortom, dat ik volgens mij geheel in mijn tas besloten lag". Waarna hij vervolgt met: "Misschien is dat trouwens, dacht ik soms bij mezelf, precies waarom hij leeg is: behalve mijn sleutels zit er niets in mijn tas".
Wonderlijk: Gavarin vereenzelvigt zich dus deels, bij gebrek aan een completere zelfdefinitie, met een tas die hij nu kwijt is, en die tas is ook nog eens leeg. Op de sleutels na, die hij nu ook kwijt is, zodat hij zijn deur- die eigenlijk niet echt zijn deur is- niet kan openen..... Precies dat soort details maken meteen al voelbaar hoe onbeholpen en vervreemd Gavarin zich moet voelen in deze voor hem zo ongemakkelijke en onhanteerbare wereld. En ook de rest van "Mijn grote appartement" is van dit soort absurdistische vervreemding doordesemd.
Zo wordt al snel na het vreemde openingshoofdstuk duidelijk dat het "grote appartement", waar Gavarin nu niet in kan, zelf ook een leegte bevat: hij vermoedt namelijk dat zijn geliefde, Anne Lebedel, hem verlaten heeft. De treurnis daarover wordt heel onnadrukkelijk, maar juist daardoor des te treffender, opgeroepen in absurdistische zinnetjes als: "Ik liep bij de eerste de beste kapper naar boven. Ik wilde een ander hoofd". Of in nog andere vervreemdende zinnetjes over de zwijgzaamheid van Anne, over de ondefinieerbaarheid van haar blik en van het beeld van die blik in Gavarins geheugen, en zo meer. Bovendien laat Gavarin zich helemaal meevoeren met de lichtvoetige grillen van het toeval, wat leidt tot een plot vol absurdistische zijsprongen. Waarin Gavarin weer puur toevallig met een nieuwe geliefde in aanraking komt, in een zwembad. Waar hij overigens naar iemand anders - een eigenlijk vergeten ex uit vroeger tijden- op zoek was. Een ex overigens die hij in dat zwembad wel zag, maar eigenlijk toch ook weer niet. En de nieuwe geliefde volgt hij dan, al heeft hij geen idee waarom, want hij weet totaal niet wat zij voor hem voelt en ook eigenlijk niet echt wat hij voelt voor haar. "Ik klampte me vast. Ik weet niet waaraan, maar ik klampte me vast", zo zegt Gavarin. Of, als hij later met haar in de trein zit: "Haar angst en de mijne vonden elkaar in stilte. Het landschap werd bergachtiger. Heuvels verborgen andere heuvels, verdwenen in bleke verten. De lucht was wit". Of, nog weer later: "Het dak met zijn hellende vlak. De onvermoede grot eronder. Ik dacht aan mijn tas. Ik droeg geen leegte meer met me mee, ik liep erin rond. Ik ga vooruit, dacht ik bij mezelf, ik ga vooruit".
Die laatste zin is naar mijn smaak behoorlijk ironisch: de leegte van Gavarins tas (waarmee hij zich vereenzelvigde) is nu vervangen door de leegte van een grot (waarin hij rondloopt), en DAT is dan vooruitgang. Bovendien, dat gevoel van leegte gaat soms met onbestemde angst gepaard. Dat komt bijvoorbeeld mooi naar voren in de volgende passage: "Nee. Ik voelde me niets. Niets, en een grote leegte in mijn hoofd. En achter die leegte, klaar om op te doemen - nee. Zelfs dat niet. Geen pijn. Geen tastbare pijn bedoel ik. Maar nog altijd angst. Ja. Alsmaar door, nu. Een groeiende angst. Die me niet losliet. Louter angst, zonder inhoud. Een grote angst. En ja, toch een gedachte. Een belachelijke, kleine gedachte. Nee. Niet zo klein. Ik dacht na over die zwemband. En de haardroger". Maf trouwens hoe in dit citaat wordt bewogen van onbestemde angst naar alledaagse dingen als zwembaden en haardrogers: ik weet nog steeds niet of dat de angst relativeert of juist verdiept. Zoals ik ook bij veel van Osters lichtvoetige zinnen aarzel tussen enerzijds het vrolijke gevoel dat die lichtheid oproept, en anderzijds de beklemming vanwege de leegheid en onbestemdheid die deze lichtvoetige zinnen aanraken. Zij het op vaak vederlichte wijze.
Tegelijk zijn veel andere passages in "Mijn grote appartement" dan weer vol slapstickachtige weemoed, zoals in films van Buster Keaton of Jacques Tati. Bijvoorbeeld het hoofdstukje waarin Gavarin bladzijden lang bezig is een sok aan te trekken in een vochtig badhokje. Of het hoofdstukje waarin hij in een ziekenhuis naar de kraamafdeling zoekt, de pijlen volgt, en helemaal verdwaalt. Waarbij hij overigens wel een verpleegster ziet flauwvallen, wat kennelijk niemand interesseert. Ook zijn er allerlei passages waarin Gavarin van misverstand naar misverstand voort blundert, of van toevalligheid naar toevalligheid. Om dat soort passages moest ik vaak hardop lachen. Maar niet zonder droevig mededogen voor Gavarins onbeholpenheid, omdat alles - ook het ogenschijnlijk vanzelfsprekende- hem zoveel moeite kost. En zo moest ik ook weemoedig grinniken om sommige ellenlange meanderende zinnen, waarin Gavarin allerlei bespiegelingen met komma's aan elkaar rijgt maar ook van komma tot komma bijstelt en tegenspreekt, zodat er niets van overblijft. Of om zijn aan elkaar geregen korte en zelfs elliptische zinnen, soms zelfs zonder onderwerp en zonder werkwoord. Waarin hij probeert "iets" te vatten. Maar zonder te weten wat. Of waarom.
"Mijn grote appartement" is naar mijn smaak een vermakelijk boekje, vol met verrassend ongewone zinnen en al even verrassend ongewone zijsprongen en plotwendingen. Het is vaak komisch, en goed gevuld met weemoedige slapstick. Tegelijk is het een intrigerend absurdistisch boekje, waarin het steeds draait om onbestemdheid en leegte. Waarop de hoofdpersoon geen greep krijgt. Maar waarom wij als lezers met enige weemoed en ontroering moeten grinniken. Ook al krijgen wij er evenmin greep op. En ik hou van schrijvers die mij kunnen laten grinniken om de leegte, zonder gebruik te maken van zwaar pathos en zwaarwichtige tragiek. Dus ik ben helemaal tevreden.
Ik ben niet verder dan blz. 65 geraakt en maak de bedenking dat het boek in de oorspronkelijke taal, het Frans, hopelijk beter leest. Not my cup of tea: ik mis een structuur en een verhaallijn en ik verdrink in de eindeloze gedachtestromen die voor mij nergens naar leiden. Ik kan mij niet in het karakter van het hoofdpersonage Gavarin inleven. Ik ervaar geen schoonheid, geen sympathie, geen inzichten. Al moet ik wel bekennen dat ik hier en daar een sprankel humor heb ervaren. Ik ben niet verwonderd of ontroerd en weet me al helemaal niet meegesleept in het boek. Dus wanneer ik op blz. 65 zit te denken aan al die heerlijke romans die nog wachten om gelezen te worden en dat ik tijdens lectuur van 'Mijn grote appartement' echt wel mijn beperkte tijd aan het verprutsen ben, dan is het tijd om het boek aan de kant te leggen, uitgelezen of niet.
L'amorce: le narrateur et protagoniste se rend compte qu'il a oublié sa clé, parce qu'il a oublié sa serviette, la clé étant le seul ou presque contenu de sa serviette.
Une histoire un poil délirante, un poil saugrenue, pas désagréable dans la bizarrerie voire le surréalisme. Ce qui est moins agréable par contre c'est l'écriture, hachée, découpée, avec sous-entendus et termes voilés - ça va bien 5 minutes mais ça devient vite lassant. Heureusement l'histoire est là pour tenir l'intérêt, pour éviter que l'agacement ne prenne le dessus, pour au final me laisser une bonne impression d'ensemble.
Dit boek illustreert ... hoe het ene voorval tot het andere leidt ... zonder nood aan onderliggende gedachte of motivatie ... en als je het lang uithoudt ... dan zie je , dat dit tot goede eindes kan leiden. Misschien leidt dit tot een goede levensfilosofie, maar niet tot goede boeken. 😋
Le premier Oster qui me déçoit. Pour tout dire, je l'ai trouvé un peu concon et superficiel. Ses phrases sur les femmes manquent de finesse et, cette fois, je n'y ai pas cru.
Le grand appartement de Luc est vide. Il veut le remplir d'amour. Et sa quête pour l'amour commence. L'amour d'une femme, d'un enfant à naître, d'une serviette et d'un bonnet de bain. L'auteur nous embarque dans un train dont on ne connaît pas la destination, même à la toute fin. Mais ce n'est pas vraiment grave. L'errance est un thème intéressant, exploité ici avec une belle touche d'humour.
Je connaissais Christian Oster pour ses écrits jeunesse un peu loufoques. Je le découvre "chez les grands." L'écriture est surprenante, très poivrée. ça digresse beaucoup mais le verbe capture. Un livre distrayant dont je déplore cependant la fin trop... ouverte à mon goût.
Je suis ébloui par le style de cet auteur. Ce livre n'aurait pas dû me plaire car l’intrigue est des plus minces voire n’existe pas en tant que telle, mais pour une fois le style à lui seul sauve et bien au-delà le livre entier. C’est magnifique.
Unlikely a man as Gavarine may seem, Oster maked you believe him every step of the way. The story is just as absurd as life itself, but told in a more mesmerising way. French prose at it's best.