Zwarte lichamen worden regelmatig gehinderd in een witte wereld; vrouwenlichamen worden afgeschermd en afgeremd in een misogyne wereld; dikke lichamen passen niet in een wereld die is afgesteld op het gemiddelde lichaam; berolstoelde lichamen kunnen niet met de trap, en depressieve lichamen worden inert omdat de wereld hen niet meer uitnodigt.
De voorbeelden laten zien dat lichamen nooit op zichzelf staan. Ze functioneren altijd in relatie tot andere lichamen en tot de omgeving. Toch is de opvatting nog gangbaar dat je lichamelijke problemen kunt oplossen door te focussen op tekortkomingen in het lichaam, in het denken of in het gedrag van individuen.
Filosoof Jenny Slatman legt uit dat deze aanpak onvoldoende werkt. Er is meer aandacht nodig voor de materiële relaties waarin lichamen staan. Ze pleit daarmee voor een nieuwe kijk op lichamelijkheid. Een fundamenteel andere blik op gezondheid, ziekte, beperkingen en sociale uitsluiting Jenny Slatman is hoogleraar Medical & Health Humanities aan Tilburg University. Haar onderzoek bestaat uit filosofischantropologische analyses van lichamelijkheid in kunst, expressie en medische praktijken. Zij publiceerde onder meer Vreemd Lichaam. Over medisch ingrijpen en persoonlijke identiteit en vertaalde werk van Merleau-Ponty. Voor haar werk ontving ze een VIDI- en een VICI-beurs.
ik ben verlicht. mijn gedachtes zijn geordend en liggen in stapels op kleur. mijn hersenpan heeft een anti-aanbaklaag gekregen (zonder pfas).
al eerder zei ik dit maar ze zouden dit moeten opnemen in het geneeskundecurriculum. we moeten zo erg af van het 99% exact (bèta) zijn van de kutbachelor. er staat zoveel waardevols in dit boek en ik wil phine een shoutout geven voor het aanraden.
het idee ‘ik kan’ in plaats van ‘ik denk’ past zoveel beter bij het arts zijn. ik wil me niet bezig houden met iemands lichaam ik wil me bezig houden met een persoon en diens omgeving en de maatschappij en alles ooit. al het exacte blijft toch wel zoals het is en dat betekent niet dat het niet interessant is of dat ik er niet over wil leren maar als geneeskundestudent voel ik meer verantwoordelijkheden met de kennis die me aangeleerd wordt dan wel correct verwijzen naar de nhg standaarden als ik pkr inlever. dit boek heeft me geleerd anders naar het lichaam, ziek zijn en daarmee ziek(t)en te kijken.
descartes je bent nog lang niet jarig ik zal iedere persoon ooit vertellen over hoe jouw dualisme de moderne wereld bij de nek heeft en wel zo dat we blauw aanlopen. jenny slatman jij bent wel jarig gefeliciteerd.
de maatschappelijk rol als arts komt veel beter tot zijn recht als je ‘ik kan’ hanteert in plaats van ‘ik denk’. dit boek kwam als geroepen want alleen als ik dit soort dingen lees kan ik me een toekomst in de geneeskunde inbeelden. ik heb geleerd over verantwoorderlijkheden van de arts die me wél interesseren. mevrouw slatman ik lig aan uw voeten, mijn handen zijn de uwe en mijn nagels zijn gelakt.
Ik heb een obsessie voor lichamen. Niet dat ik ieder lichaam langs een arbitraire meetlat van onrealistische, wenselijke eigenschappen leg en er een oordeel op plak. Nee, ik ben gefascineerd door hoe lichamen zich door de ruimte bewegen, door de uniciteit van ieder lichaam, wat een lichaam allemaal kan en niet kan en hoe grenzen opgezocht worden van wat het lichaam aankan (topsport bijvoorbeeld). Ik kan gegrepen worden door hoe een lichaam zich in de wereld manifesteert en moet mezelf soms dwingen niet te staren wanneer mijn onderzoekende blik blijft rusten op een lichaam. Nieuwe Lichamelijkheid van Jenny Slatman past wat dat betreft perfect bij mijn fascinatie, omdat het woorden geeft aan wat ik altijd gevoeld heb; dat lichamen geen losgezongen entiteiten zijn, maar dat ze altijd bestaan in relatie tot de wereld waarin ze zich begeven.
In de gezondheidszorg heerst echter nog altijd het idee dat lichamen individuele entiteiten zijn die los gezien kunnen worden van hun omgeving. Bovendien speelt het lichaam-geest-dualisme – ontstaan bij Descartes – nog steeds een grote rol. Om ziekte te kunnen opsporen, hoeven we alleen maar in het lichaam te kijken. En als er in het lichaam niks te vinden is, dan moet het wel een probleem van psychische aard zijn.
Heersende visie Er is in de afgelopen decennia een heersende visie ontstaan die mensen ziet als een denkende entiteit die niets te maken heeft met het lichaam waarin ze bivakkeert of met andere lichamen om dat denkende ik heen. Door veel te denken en te reflecteren moet dit ‘ik’ zichzelf in het gareel zien te houden. Slatman legt een link met depressie, de ziekte die in de laatste tientallen jaren een enorme toevlucht heeft genomen, volgens haar (mede) door deze visie.
Niet alleen het cogito van Descartes was van grote invloed op de manier waarop we naar lichamen en ziekte kijken. Met de opkomst van statistiek deed ook het normatieve denken over wat een ‘normaal’ lichaam is zijn intrede. En dat normale lichaam, dat is het lichaam van een volwassen maar niet oude, witte man. Slatman verwijst naar enkele onderzoeken om te onderstrepen hoe kwalijk dit is: reanimatie is bij vrouwen minder succesvol dan bij mannen, en koortsthermometers werken veel slechter op niet-witte huiden waardoor niet-witte mensen tijdens de Covid-pandemie niet altijd de zorg kregen die ze nodig hadden.
Problematisch Kortom: de manier waarop de gezondheidszorg naar lichamen kijkt is problematisch en lang niet altijd toereikend. Met behulp van het denken van Maurice Merleau-Ponty (1908-1961) en Kurt Goldstein (1878-1965) betoogt Slatman dat we op een nieuwe manier naar lichamelijkheid moeten gaan kijken. We moeten van het ‘ik denk’ naar een ‘ik kan’. Ze weet vervolgens met heel goede voorbeelden heel krachtig over te brengen waarom het individu zien als een ‘ik kan’ veel adequater is.
Slatman toont dat bepaalde lichamen het moeilijker hebben om met de wereld om te gaan. Ons lichaam is een groot deel van de tijd iets vanzelfsprekends waar we niet bewust aandacht aan besteden, maar door de wereld waarin wij ons begeven kan dat lichaam opeens heel erg naar de voorgrond treden, en dat kan zorgen voor verminderde mogelijkheden.
Afremmen Voorbeelden hiervan zijn niet-witte lichamen in een witte wereld wiens ‘ik kan’ gefrustreerd kan raken wanneer ze door hun omgeving geobjectiveerd en gereduceerd worden. Ook vrouwen zijn zich vaak veel bewuster van hun lichaam en remmen zichzelf vaak af (wat dan weer leidt tot een verminderd ‘ik kan’), onbewust bezig met het feit of ze wel vrouwelijk genoeg zijn en of ze inpassen in de maatschappelijke normen.
Een ander voorbeeld is zwaarlijvigheid. Zwaarlijvige mensen hebben op fysiek vlak al een verminderd ‘ik kan’ en worden zich daarnaast nog eens hyperbewust van hoeveel ruimte ze innemen omdat ze zich moeten bewegen in een wereld die niet aan hen aangepast is. Ten slotte focust Slatman zich op psychische problemen, met name depressie. We hebben nogal de neiging om depressie te reduceren tot dingen die in het brein gebeuren, maar veel zinvoller zou zijn om te onderzoeken hoe een depressief persoon de relatie tussen zichzelf en de wereld ervaart. Dat is meer betekenisvol dan depressie louter begrijpen als het ontbreken van bepaalde stofjes in de hersenen.
Herkenningspunten De voorbeelden die Slatman gebruikt om het punt te maken dat we op een andere manier naar ziekte en lichamelijkheid moeten gaan kijken zijn zeer overtuigend. Het helpt mee dat ik als vrouwelijk persoon met bipolariteit heel veel herkenningspunten vond in de voorbeelden die Slatman geeft. Als tomboy heb ik als kind zo ontzettend vaak te horen gekregen dat ik op een afwijkende manier beweeg en me op een afwijkende manier gedraag, en nog steeds ben ik me bijzonder bewust van het feit dat ik niet voldoe aan het beeld (ik rem mezelf niet af) van de stereotype vrouw.
Daarnaast vond ik de manier waarop Slatman naar depressiviteit kijkt ook heel heilzaam. Als ik weer eens zo’n episode in kukel, ervaar ik een onoverbrugbare kloof tussen mij en de wereld, alsof ik niet meer thuis ben in een wereld waar normaal gesproken alles zo vanzelfsprekend is. Het is heel fijn dat er in het systeem van Slatman ruimte is voor dit soort verhalen en ervaringen. Juist dit soort verhalen bieden aanknopingspunten om naar herstel toe te werken, om weer naar een ervaring toe te werken waarbij je je wel weer thuis voelt in de wereld. Dat voelt in ieder geval voor mij gezonder aan dan wanneer je depressie slechts ziet als een disbalans van stofjes in de hersenen die een pilletje weer kan normaliseren.
Verhalen Slatman pleit voor het toevoegen van een geesteswetenschappelijke component aan de gezondheidszorg. Er moet ruimte komen voor de verhalen van mensen over hoe ze zichzelf en hun relatie tot de buitenwereld ervaren en artsen moeten in staat zijn om deze verhalen te interpreteren vanuit de theorie van het ‘ik kan’. Op deze manier kan de arts onderzoeken wat de desbetreffende patiënt aan zorg nodig heeft.
Ik weet niet of dit allemaal praktisch haalbaar is, maar het verhaal van Slatman is overtuigend genoeg om te verlangen naar een wereld waar men op deze nieuwe manier naar lichamelijkheid kijkt. Met sprekende voorbeelden en in heldere taal maakt Slatman haar punt. Dit is filosofie met een heel grote reikwijdte, waarbij je hoopt dat zoveel mogelijk mensen het zullen lezen, omdat het nieuwe en waardevolle perspectieven op het dagelijks leven biedt. Ik zou zeggen: niet alleen verplichte kost voor mensen die in de gezondheidszorg werken, maar voor iedereen die met mensen werkt, of voor iedereen überhaupt.
Een mooi, eigentijds, progressief pleidooi in duidelijke taal. Slatman maakt gebruik van verschillende discriminatie gronden en verschillende voorbeelden van aandoeningen die baat hebben bij haar pleidooi. Ondanks dat het een ingewikkeld onderwerp is alles helder. Zeker een aanrader!
Het boek begint met constatering dat het lichaam in de moderne geneeskunde is gereduceerd tot een anatomisch ontleedbaar apparaat dat aan een normaal voldoet, waarbij normaal wit, man, niet beperkt, niet ziek betekent. Dit wordt geïllustreerd met een illustratie van een zwarte foetus, die ons confronteert met de norm van het witte lichaam in anatomische platen (zoals die in biologieboeken te vinden zijn).
Dan volgt een hoofdstuk over het mensbeeld wat het gebrek aan aandacht voor lichamelijke diversiteit mogelijk maakt. Dankzij lichaam-geest dualisme zien we mensen primair als denkende wezens, en is het lichaam slechts het onderdanige ding dat we besturen met ons denken. Contra gebruikelijke interpretaties geeft Slatman de schuld niet aan Descartes, maar aan de medische praktijken in de tijd van Descartes, waar er meer en meer aandacht werd besteed aan het anatomische lichaam dat als een landkaart werd ontsloten door tekeningen, dissecties, nieuwe medische apparatuur, en zo verder. Descartes was eerder een product van zijn tijd dan de veroorzaker van lichaam-geest dualisme. We zouden zelfs kunnen stellen dat het idee dat Descartes de schuld heeft eenzelfde soort denken-handelen hiërarchie impliceert. Slatman hint hier al naar nieuwe materialisme: Descartes schrijven en ons denken over lichaam-geest worden niet veroorzaakt door filosofen maar door ensembles van theorie, praktijk, materie.
Wat voor mensbeeld zet ze hier tegenover? Via de psychiater Kurt Goldstein en filosoof Maurice Merleau-Ponty gaat Slatman van het Cartesiaanse 'ik denk' naar 'ik kan'. Mensen zijn, primair, lichamelijke wezens die (vaak pre-reflectief, zonder 'denken') handelen in de wereld en mogelijkheden hebben in relatie tot de wereld. Door mensen als lichamen te beschouwen, zitten ze ook automatisch ingebed in een omgeving (zijn ze sociaal en materieel gesitueerd), en wordt de menselijke ervaring en hoe die door de relatie tussen het lichaam en de wereld wordt gevormd belangrijk.
Met dit filosofisch antropologische vertrekpunt schrijft Slatman hoofdstukken over racisme (adhv Fanon), seksisme (adhv Young), lichamelijke beperkingen zoals zwaarlijvigheid (adhv Garland-Thomson), psychische (adhv Fuchs) en chronische aandoeningen (adhv Houllebecq). In elk hoofdstuk toont ze hoe 'nieuwe lichamelijkheid' in staat is om de aandacht van het losgezongen, denkende individu te verleggen naar de lichamelijke ervaring, en hoe die tot stand komt in de relatie tussen het ik en de sociale en materiële omgeving. Elk hoofdstuk is origineel en bevat welkome argumenten, zowel binnen de geneeskunde alsook binnen de fenomenologie, alsook binnen sociaal constructivisme.
Tot slot maakt ze nog een experimenteel uitstapje naar nieuw materialisme en Nancy (die Descartes heeft geïnterpreteerd als een relationele ontologie van 'met-zijn', en beschrijft hoe ik-zijn ontstaan door aanraking van andere dode of levende lichamen), en formuleert haar nieuwe lichamelijkheid uiteindelijk als "het idee dat iemands kunnen en iemands niet-kunnen afhangen van hoe diegene is belichaamd en hoe deze singuliere belichaming zich verhoudt tot de omgeving en context van diegene." (p. 182)
Dit boek zet je aan het denken over hoe we interactief als lichaam eigenlijk in de wereld staan. Het geeft veel stof tot nadenken. Soms wat taai en in wetenschappelijke taal geschreven, maar zeker uitdagend om te lezen.