"Alles wat ik deed, was om bezig te zijn, maar daar denk ik niet aan. Alles wat ik deed, was het uitstellen van nadenken, maar daar denk ik niet aan. Alles wat ik deed, hielp iedereen misschien maar een heel klein beetje, of werkte misschien zelfs averechts, maar daar denk ik niet aan.
Of nee, ik was gelukkig en dat voelde slecht. Of was ik ongelukkig en dat voelde goed?"
In Rinske Bouwman's debuut volgen we Sarlag, een jonge vrouw die opgroeide in Mongolië tussen de jaks, en nu naast haar studie werkzaam is op de vriesafdeling van de Dirk. Terwijl ze haar dagen slijt tussen de diepvriesproducten voel je dat Sarlag een diep verdriet met zich meedraagt, waar ze absoluut niet over wil praten of nadenken.
Maar ondertussen beginnen haar vingers te vervormen en groeien er overal lange witte haren uit haar lijf. Het verdriet wil Sarlag's lichaam uit, en het is maar de vraag of ze zich tegen die transformatie wilt verzetten.
Een eigenzinnige roman over rouw, heimwee en jezelf altijd meenemen, waar je ook naartoe vlucht reist. Ik vond het verhaal het sterkt waarin we lezen over Sarlag's jeugd in Mongolië en Bouwman's reflecties op het rouwproces, hoe verdriet je geest kan laten stilstaan terwijl je lichaam door wilt met groeien.
De surrealistische plotlijn rondom Sarlag's transformatie was echter te absurd voor mij, en ik vond het jammer dat de liefdevolle band/relatie tussen Sarlag en Kalle niet verder werd uitgewerkt. 3 sterren.