Goed geschreven maar deprimerend boek van überstylist. Rake typering van de fatalistisch-romantische ziel van Noordelingen. Wel somber.
Opmerkingen vooraf
1. Zoals kleur en licht mediums zijn voor schilderijen, is taal dat voor literatuur. Nanne Tepper is een baas in stijl met mooie zinnen en stijlwisselingen tussen de delen.
2. Veel topsporters hebben een genetische voorsprong op hun concurrentie. Nanne Tepper had adhd en was depressief, wat hem tragisch genoeg de das om heeft gedaan. Misschien heeft Teppers constellatie wel bijgedragen aan dit bijzondere boek; het is namelijk doordrenkt van hypere passages en weltschmerz.
Sfeer verschuift
Er gebeurt iets bijzonders in dit boek. Het begint luchtig met een ironische toon. Al gauw ontdek je dat het verhaal onder andere gaat over de liefde tussen een broer en een zus; daar komt het dan nog wel mee weg omdat je het ook kunt lezen als een liefde-in-het-algemeen. In de loop van het verhaal verschuift de sfeer en neemt de ranzigheid van het onderwerp toe met het afglijden van de hoofdpersonen: "De spanning stijgt, het peil daalt".
Haat-liefde
In dit boek heeft iedereen een haat-liefde verhouding met alles en iedereen. De vader en de buurman met het hebben van kinderen, de familieleden met elkaar, iedereen met het stugge Groningse land, de zoon met het leven en de vader en de zoon met drank. De balans slaat overwegend uit naar haat:
" 'Dat háten van jullie, dat wil ik niet, dat kan ik niet!' (...)
'En wie ben jij dan wel om te bepalen wanneer er gehaat mag worden?'
'Het is misplaatst, gemakkelijk, het is niet van ons.'
'Gelul, jij kunt je gewoon niet laten gaan, (...) het mag niet van die opoe in je kop.' "
Somber fatalisme van de Noorderling
"Nuchtere Groningers. Er is geen groter misverstand.(...) Er wordt nergens zoveel gezopen en zielig gedaan als onder Oost-Groningse kerels." Tepper beschrijft met nuance de fatalistisch-romantische ziel van de Noorderling, zoals alleen maar iemand dat kan die er zelf een is. Tepper gebruikt dialect en typische woorden als wichtje (meisje), teut worden (dronken), een peuk (sigaret), troela, teutebel, opoe (oma); Stad (zonder 'de') voor Groningen; jong voor jongen. Niet volledig vreemd, maar voor veel niet-Noordelingen een beetje uit de pas. Tepper beschrijft de Noordelijke ziel als een rusteloze zwerver die alleen op zijn geboortegrond thuis is, maar daar toch niet kan aarden. Een dromer, maar te beroerd om wat van zijn leven te maken; wel klagen en zielig doen, maar er geen werk van maken. "Als we nou's verzopen in de poen, dan lieten we de school de school, even negentiende-eeuws denken, we zouden van hotel naar hotel trekken, eh, een beetje kunst kijken... Brieven sturen naar de achterblijvers."
"Land van herkomst: Oost-Groningen. De veenkoloniën. De moddervelden, om met Veen te spreken. The Chilling Fields, zei Victor."
"Lang bleef ze zo staan, diep in gedachten en waarschijnlijk droevig om niets."
"Omdat Lisa eenzaamheid zag in alle mensen (...)"
"Veen zwolg in ijdele ellende."
"Het feit dat zij en Victor hun leed cultiveerden, beschaamde haar ineens. Ze verlangde, net als Victor, naar stijl."
"Zou hij zoiets als kameraadschap willen? Iemand met wie je dagelijks optrok? Het leek hem een immense investering."
"(...) de dolende mens die nergens op zijn plaats is en het leven hiervan de schuld geeft."
En ook weer grappig:
"God schiep de aarde en kwam kijken of het goed was en koos voor Zijn bezoek Oost-Groningen en Hij trof n boer op Z'n land en God vroeg aan de boer: "Is 't goed?" En de boer richtte zijn geweer en brulde: "Goa van mien laand oaf!!"
"Ben je nou schrijver? Vinden anderen dat ook?"
"Victor, ik smeek je (eenmalig): kom terug! Er is oppositie nodig. Er moet een fikse noordooster opgewekt worden. Ik ga niet in mijn eentje een front vormen."
Sociaal onhandig
De noorderling is communicatief zwak en sociaal onhandig, aldus Tepper. Zijn personages spreken in korte statements en vaak ruzie-achtig. "Groningers aan de telefoon: volkomen hopeloos."
"Soms, als mijn vader lang zweeg, werd de stilte zwaar en drukkend, alsof de hele wereld wachtte tot hij weer wat zeggen zou."
"(...) en trok aan haar haren, zijn alleroudste liefkozing."
"God, wat een liefde was daar geweest, ook al had het dan op vechten geleken."
Als Lisa intimiteit of sex zoekt bij Victor zegt ze: "Doe maar dan", of: "toe maar."
Zwelgen in somberheid
"(...) een etude van Chopin, zo triest dat ze grinnikte (...)". De personages in dit boek zwelgen in somberheid. De mannen zijn aan de drank (jenever, bier), roken (zware van Nelle-shag, Caballero, drugs). "Maar wat viel er meer in het leven te beginnen dan het te romantiseren?" Niet voor niets haalt Tepper herhaaldelijk de films Paris, Texas en Under the volcano aan.
Afglijden en zin in het leven
De mannen in dit boek drinken; de ouderen drinken zich zelfs dood. Alle personages glijden af naar zatlappen en niksnutten. De moeder: "Maar als er niet meer gepraat kan worden, is alles verloren. Met mensen die drinken, valt niet te praten." De zoon: "Ja goed, ik ben een aansteller. Ik zuip. (...) Een leven lang aanklooien is nog een hele kunst." Ze hebben er geen zin in, in het leven, in niets eigenlijk; hun leven is verval, niksigheid en depressie. "Voor de zoveelste keer: verlossing, zoals dat in jouw boeken staat geschreven, is een sprookje. Dit leven is voetje voor voetje."
"Ik schrijf dit op mijn kamertje. De ramen staan open. Het miezert. De tuin ruikt niet meer zoals vroeger. Mijn hempie is vergaan en mijn tieten gaan hangen. Dat wij hier eens allemaal gewoond hebben, wil niet tot mij doordringen. Zo zie je maar: je bent niet de enige ontredderde." De moeder: "Jullie moeten een plek in je leven vinden. Meer is er niet."
Gestorven
Alle leven eindigt in dood, maar het leven in dit boek is nog bij leven vroegtijdig overleden. Tepper vat het prima samen als hij de moeder laat zeggen over Oost-Groningen: "het is hier zo, eh, gestorven."