"ik draai een kleine revolutie af . . . en ik val en ik ruis en ik zing" (p. 44) - zo is het, ja. Woorden vallen over elkaar heen, er is veel ruis en soms begint hij zomaar in het wilde weg te zingen, zonder begeleiding, zonder puls of helder ritme. Zeker in later werk lijken titels als "uit het heerlijkste hout blaft het land" (p. 149), "de geringe invloed van de sociale partners oftewel een oproep tot het slechten van de schotten" (p. 180), "alleen in de hemel galgt het goed" (p. 188), "de gedoodverfde schilder" (p. 199) en "met een kapotte kop achter een heel voorruit" (p. 203) soms al gedichten op zich (of waren ze dat maar geweest). De techniek van deze kleine revolutionair wordt door Pfeijffer overigens bewonderend maar doeltreffend ingeleid (pp. 13-21).