Oorspronkelijke titel: Zeventig jaar koude oorlog (1917-1987) Eerder verschenen onder de title: Het grote misverstand : een geschiedenis van de Koude Oorlog (1917-1990)
I read this very interesting book of Yvan vanden Berghe when I was studying at the University of Antwerp with Yvan vanden Berghe as professor of international relations. At the time, his book was published under the title "Het grote misverstand", which translates as "The big misunderstanding. Professor Yvan vanden Berghe analyses events of the Cold War and shows that it gradually developed on a series of misunderstandings between the two Great Powers of the time, the US and the URSS. Both countries and their elites distrusted each other so much that they regularly misread and misinterpreted the steps and the real intents of the other party, in a chess game that the entire world was watching anxiously. That game, most of the time, resulted in proxy wars taking place in third countries driven and supported by both great powers, and often led to useless destructions and enormous wastes of wealth, resources and talents. This book could of course inspire many people today in their reading of the resurgent cold war between the West and Russia. But do not be mistaken. As Professor vanden Berghe taught us, while history often gives the impression to repeat itself, only the astute historian understands that it is never the same despite many resemblances.
Als men zoals prof. dr. em. Yvan Vanden Berghe de Koude Oorlog laat eindigen bij de hereniging van Duitsland (1990) ligt deze dit jaar exact 30 jaar achter ons. Voor de jongere generatie even ver weg als de Tweede Wereldoorlog of Viëtnam. Persoonlijk herinner ik me nog de val van de Muur en mijn vader die me toen als kleine knaap op het hart drukte dat hier geschiedenis met de grote G werd geschreven. De auteur wil met dit boek het eerder vertrouwde narratief doorbreken met te wijzen op een groot misverstand tussen beide grootmachten. Wel, de professor op rust wil vooral het beeld bijstellen dat de Sovjet-Unie uit was op werelddominantie. De wapenwedloop diende immers om de aandacht van de binnenlandse problemen van beide grootmachten af te leiden.
Zelfs tijdens het Interbellum was de relatie tussen de Westerse landen en de Sovjet-Unie pragmatisch. Komintern stookte dan wel soms de boel op, maar intussen voerde de Sovjet-Unie graan uit naar Groot-Brittannië en liet het Amerikaanse ondernemers zoals Henry Ford toe om te investeren. Toen Japan China binnenviel, stonden de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie aan dezelfde kant om Chiang en Mao tot samenwerking te bewegen. Vanaf het verdrag van Rapallo (1923) werd de relatie met Duitsland zelfs optimaal. Stalin predikte een socialisme in één land en viseerde vooral de socialisten als klassenvijand. Uit vrees voor een tweefrontenoorlog met Duitsland enerzijds en Japan anderzijds, was Stalin zelfs niet te beroerd om met Hitler een niet-aanvalspact te sluiten. Maar Stalin was te pessimistisch. Groot-Brittannië (en later de VS) zouden Duitsland zelf in een tweefrontenoorlog duwen, waarbij de geallieerden de Sovjet-Unie massaal met goederen zouden steunen. Desalniettemin leverde de Sovjet-Unie de zwaarste inspanningen én verliezen. De VS was ook bereid om concessies te doen aan de Sovjet-Unie menende dat ze deze nog nodig had om Japan te verslaan. Het gevolg was dat de Europese landkaart werd ingekleurd met invloedssferen. Groot-Brittannië achttte Griekenland te belangrijk als springplank richting Suez en ook Iran en de Dardanellen bleven uit Sovjet-invloed. Maar Rusland was als vanouds bevreesd voor de Oost-Europese vlakte als toegangspoort naar Moskou. Vandaar dat Stalin een cordon eiste tegen Duitsland. Met de illusie van vrije verkiezingen vielen via manipulatie en afdreiging een ganse resem Centraal- en Oost-Europese handen in communistische handen. Daarbij vielen Albanië en Joegoslavië op omdat ze een communistisch beleid koppelden aan een onafhankelijke rol van Moskou. Omgekeerd was Stalin dermate loyaal aan de verdeling van Europa dat hij communistische opstanden en electorale successen in Griekenland, Frankrijk en Italië ongemoeid liet. Nochtans leefde in de VS de vrees dat het communisme via de stembus zou regeren over West-Europa. Omgekeerd was de Sovjet-Unie bang voor de Amerikaanse dominantie op economisch vlak.
Naast de wederzijdse angst voor elkaar, leefde in Washington en Moskou een heilige angst voor een herrijzend Duitsland. De vier bezettingsmachten hanteerden verschillende doelen. Frankrijk wilde vooral Duitsland klein houden. Voor de Sovjet-Unie was de DDR een wingewest om economisch leeg te plunderen. Groot-Brittannië en VS probeerden via de import van Amerikaanse goederen de welvaart te herstellen, maar wilden vooral geen neutraal Duitsland uit schrik dat deze naar de Sovjet-Unie zou neigen. NAVO was het militaire antwoord op de schaduw van de Russische beer over West-Europa. Nochtans poneert de auteur dat de Sovjet-Unie noch over een degelijke luchtmacht noch over gemotoriseerde eenheden noch over een voldoende sterke economie beschikte om West-Europa te bedreigen.
Met de machtsovername van Mao in 1949, kwam China ook in de communistische invloedssfeer. Het conflict in Korea (1950) vormde meteen al een strijdtoneel waar China en de VS zich maten met elkaar. Bovendien beschikte de Sovjet-Unie intussen ook over een atoombom. Na de dood van Stalin (1953), leek even de hoop op te laaien dat Oost-Europa wat onder de knoet van Moskou zou kunnen loskomen, maar het neerslaan van de opstanden in DDR (1953) en Hongarije (1956) namen die illusie snel weg. Het duo Eisenhower-Dulles geloofde sterk in het domino-effect van vrije landen die door Sovjet-gestuurde revoluties communistisch zouden worden. Het nucleaire overwicht kon helpen als schrikelement om het communisme in te dammen. Het was het begin van een wapenwedloop, waarbij Sovjet-Unie uit schrik haar eigen voorraad bommenwerpers en raketten naar de buitenwereld toe overdreef. Het Amerikaanse militaire apparaat geloofde maar wat graag die bluf, maar Eisenhower wist dat de Sovjets pokerden. In Cuba (1962) keek de wereld toe hoe beide grootmachten neus tegen neus stonden, maar stilaan ebde de spanning weg. Vooral omdat de Europese leiders hun eigen weg zochten. De Franse president De Gaulle richtte een eigen atoommacht op en de Duitse bondskanselier Willy Brandt gaf zijn Ostpolitik vorm door te kiezen voor ontspanning tussen beide Duitslanden in de hoop deze ooit te herenigen. Moskou zou in de straten van Praag (1968) tonen dat ze nog niet klaar was voor de dooi.
De financiële druk op de begroting door de wapenwedloop en dure oorlog in Viëtnam, zette beide grootmachten aan om via twee SALT-conferenties te kiezen voor ontwapening. In eerste instantie ging het om een beperking van lange afstandsraketten en nucleaire pariteit. De schrijver wijst erop dat via het economisch gewicht van West-Europa, een overwicht inzake onderzeeërs en het pact met China de VS in een sterkere positie stond. Ook SALT II zette in op het inperken van de luchtmacht, maar via Pershing- en kruisraketten behield ook hier de NAVO de bovenhand.
Het boek leert dat Democratische presidenten geen garantie zijn op militaire ontdooiing. Na Kennedy kiest ook Carter voor een verhoging van het militaire budget. In Afrika dook anti-Amerikaans verzet op in Ethiopië onder Mengistu, Libië onder Khaddafi en Angola. Met de verkiezing van Reagan (1980) leken de proxy-oorlogen amper te gaan liggen. De nieuwe president verklaarde het communisme de oorlog in Cambodja, Nicaragua, El Salvador, Granada en Afghanistan. Toch zette Reagan tegelijk in op een nieuw vredesakkoord. INF betekent het einde van middellange afstandswapens in Europa, terwijl het een terugtrekking bepleitte van beide grootmachten uit Afghanistan, Nicaragua en Angola. De Sovjet-Unie ontwapende tot ze niet langer in staat was om een aanvalsoorlog te leiden. Tegelijk behield de VS haar geplande rakettenschild. Het virtuele bankroet van de Sovjet-Unie omwille van de wapenwedloop, de hervormingen onder Gorbatsjov die de doos van Pandora openden en de politieke instorting van het communisme in Oost-Europa leidden tot de genadeslag voor de Koude Oorlog. In 1990 werd Duitsland herenigd. Dan restte enkel nog de Sovjet-Unie en China om hun conflict bij te leggen door terugtrekking van de Sovjet-Unie in Cambodja, Afghanistan en Buiten-Mongolië te bewerkstelligen. Bijna een halve eeuw werden de zenuwen van politici en de overheidsbudgetten op de proef gesteld om een conflict te onderhouden dat blijkbaar op een groot misverstand berustte, althans volgens professor Vanden Berghe.
De relevantie van de Koude Oorlog lijkt vandaag voorbij, tenzij als een hoofdstuk in de geschiedenisboeken. En als bewijs dat geopolitiek taaier is dan een tijdelijke ideologische tegenstelling. Zelfs in het post-Sovjet tijdperk kijken Rusland, China en VS elkaar in de ogen. De stelling van het "grote misverstand" is dus vooral voer voor historici. Enkele persoonlijke bedenkingen. Het is ontegensprekelijk zo dat de VS overdreven heeft gereageerd op het Arabisch nationalisme (zie "Russia and the Arabs" (Yevgeny Primakov)) en revoluties in Cuba en Viëtnam. Viëtnam had zich gezien haar geschiedenis steeds verzet tegen een Chinese invasie. Nu kwamen niet enkel Viëtnam, maar ook Laos en Cambodja in Sovjethanden. Anderzijds wees Max Hastings in zijn boek "Viëtnam" erop dat Ho Chi Minh en de zijnen geen nationalisten, maar communisten waren. Tevens volg ik de auteur dat het weinig stichtend is dat beide grootmachten onderhandelden over wapens in Europa zonder Europa daarin zelf te kennen.
Meerdere malen fronste ik de wenkbrauwen toen in het boek de agressie van Moskou werd geminimaliseerd of vergoelijkt. Zo wordt de Poolse premier Sikorski verweten de annexatie van Oost-Polen door Sovjet-Unie niet te accepteren, waardoor hij de onderdrukking van de opstand in Warschau en gemanipuleerde verkiezingen na WO II in zijn land op zijn geweten zou hebben. Alsof deze niet door respectievelijk Berlijn en Moskou werden beraamd. Of de "provocatie" van West-Berlijn door haar rijkdom te stallen, terwijl het de economische malaise van het communisme was die ervoor zorgde dat de Ossi's onmogelijk dezelfde welvaart konden bereiken als de Wessi's. Of hoe Kennedy de schuld krijgt van de Berlijnse Muur omdat hij Duitsland en Berlijn niet wilde demilitariseren. Of hoe het Amerikaanse rakettenschild Sovjet-Unie "verplichtte" om meer raketten te plaatsen. Men kan de VS verwijten vele fouten en verkeerde inschattingen te hebben gemaakt in de tweede helft van de 20e eeuw. Maar men hoeft ze daarom niet te overladen met alle zonden van Israël. Er waren wat te veel 'toevallige' opstanden waarbij de revolutionairen een gewillige partner vonden in Moskou. Plus dat het achteraf gezien makkelijk praten is dat Moskou nooit enige agressie richting West-Europa toonde. Het was in ieder geval niet vies om de vredesbewegingen hier financieel te steunen. Wat er ook van zij, was het werkelijk allemaal slechts een groot misverstand? Het zou de honderdduizenden doden die vielen voor een "war that never was" enkel des te schandelijker maken.