Hans Olink verdiept zich al heel lang in de geschiedenis van de twintigste eeuw. Voor de radio in het VPRO-programma OVT, en in tal van boeken, zoals: Een Siberische Tragedie, Nico Rost. De man die van Duitsland hield en Dronken van het leven, een biografie over de schrijver en zwerver A. den Doolaard. Een Siberische Tragedie werd genomineerd voor de M.J. Brusse-prijs. De jury omschreef het als een ‘schitterend en ontroerend boek’ met een ‘perfecte compositie’. Over Dronken van het leven schreef NRC Handelsblad: ‘Een met vaart geschreven biografie… onthullend’, Leeuwarder Courant: ‘leest als een jongensboek’, en Historisch Nieuwsblad: ‘de biografie van Olink voegt zich in de traditie van de Vertellers’.
Een curieus boek. De auteur start zijn 'biografische schets' van communist en auteur Nico Rost begin jaren twintig van de vorige eeuw. Het duurt tot pagina 225 voordat hij de eerste 25 jaar van Rosts leven beschrijft, en dan in vogelvlucht: een knellend burgerlijk gezin uit Groningen, tegen welks keurslijf Nico in opstand kwam. Aardig getroffen zinnen omtrent vader en moeder, maar veel te spaarzaam, want juist van die twee had ik meer willen weten. En waarom had Nico zo'n moeite zijn gymnasiumdiploma te behalen? Zelfs het staatsexamen lukte niet... je zou verwachten, als je eenmaal zóver bent. De speels-chronologische 'opbouw' van het boek vind ik bepaald storend. Elk hoofdstuk begint met een vrij lange vooruitblik naar de te bespreken periode. Een literaire truc, waardoor ik het idee heb dingen dubbel te lezen. Je schiet van de ene levensfase naar de andere. En terug. De naam Nico Rost (1896-1967) kom je niet dagelijks (meer) tegen, terwijl er in zijn tijd een zweem van controverse om hem hing. Was hij nu onbetrouwbaar of rechtdoorzee; een stiekeme contrarevolutionair of een gestaalde partijman? Een opportunistische overlever of een tot in de kern altruïstische en idealistische 'wereldvent'? Dat waren de issues pakweg driekwart eeuw geleden. Tijdgenoten in de literaire wereld én die van het voormalig verzet droegen hem op handen (bijvoorbeeld Louis Paul Boon) of konden zijn bloed wel drinken (communistenvoorman Paul de Groot). Ik stuitte op de naam Rost in de biografie van verzetsheld Pim Boellaard door Jolande Withuis, uit 2008. Daarom kocht ik dit boek (1997) ook. Zij hadden elkaar in Dachau ontmoet en vatten meteen sympathie voor elkaar op. Dat levert mooie passages op: de stijve, rechtschapen Boellaard, voor wie alleen God, vaderland en koningshuis telden, en de kosmopoliet en overtuigd communist Rost. Withuis besteedt relatief veel aandacht aan Rost, simpelweg ook omdat Boellaard en Rost innig samenwerkten in Dachau om bij het Nederlandse contingent gevangenen de moed erin te houden. Rost werkte in de ziekenboeg waar de ene na de andere gevangene bezweek aan vlektyfus, de ziekte die ook Boellaard trof – maar híj overleefde het. Ook na de oorlog bleven zij in eerste instantie nauw contact houden, onder meer ten aanzien van het beoogde Dachaumonument bij het kamp. Zij hadden ín het kamp een gemeenschappelijke 'beste' vriend, 'Stuuf' Wiardi Beckman, die aan de besmettelijke ziekte bezweek. Boellaard was een geboren leider en nam die rol automatisch aan in het kamp. En nu het vreemde: Hans Olink wijdt geen woord aan Boellaard. Hij komt in het register niet eens voor... In de boekenkast van Boellaard stond een stukgelezen en dik geannoteerd exemplaar van Rosts bekendste werk, zijn kampdagboek 'Goethe in Dachau'. Olink sprak voor zijn 'schets' met ongeveer zestig personen over Rost, communisten, literatoren, verzetsmensen, overlevenden – waaronder W.L. Brugsma, Marius Flothuis, Theun de Vries, Marga Minco, Tonnie van der Horst, Wouter Gortzak en ga zo maar door. Een ellenlange lijst. Iemand móet toch een keer de naam Boellaard hebben laten vallen, zou je denken. Dát was de man op wie je kon bouwen immers, en naar wie je als leider opkeek, in het kamp en in de naoorlogse jaren, bijvoorbeeld rondom de veelvuldige Dachau-reünies. Maar nee, geen letter. Vervolgens vraagt de lezer zich af wat hier nog meer ontbreekt. Rost was vooral gespecialiseerd in de Duitse literatuur, maar zelf geen groot schrijver, zo maak ik uit de biografie op. De Oost-Duitse romanschrijfster Anne Seghers maakt korte metten met zijn 'Goethe in Dachau': 'Ik verbeeld me niet je iets te onthullen, wanneer ik je zeg dat ik je niet voor een taalkunstenaar houd. Eerlijk gezegd, het boek is niet goed geschreven...' Zo, daar kon hij het mee doen. Nico Rost was een ongrijpbare man, dat beeld komt omhoog uit de tekst. Niemand kon écht hoogte van hem krijgen. Olink evenmin, heb ik de indruk. En dat maakt het lezen van deze schets zo onbevredigend: ik ben, grof gezegd, geen steek wijzer geworden over deze toch wel fascinerende figuur. Wel over wat hij uitspookte, denk aan z’n talloze vertalingen van boeken die de een prima vond en de ander beneden alle peil. Maar wat bewoog hem nu echt? Rost had sowieso iets in zich van een 'vluchter', iemand die de benen neemt als de grond te heet onder de voeten wordt en voor wie het gras altijd groener is aan de andere kant van de heg. In feite was hij een freelance verslaggever voor kranten en tijdschriften, wat tevens voor een bestaan van hand naar de mond leven zorgde – zijn onrust bracht hem in Berlijn, Noord-Italië, België, Oost-Duitsland… Soms liet zijn instinct hem in de steek: tot twee keer toe namen de autoriteiten zijn omvangrijke boekencollectie en notities in beslag: de nazi's in 1933, toen hij, woonachtig in Berlijn, in Oranienburg terechtkwam, én de machthebbers in de ‘heilstaat’ DDR midden jaren vijftig, die om wat voor reden dan ook genoeg van Rost hadden gekregen. Hij had de temperatuur van de grond kennelijk onvoldoende aangevoeld. Pluszijde: Olink schrijft vlekkeloos Nederlands - zeker niet vormtechnisch of stilistisch, naar mijn smaak, maar in elk geval correct. Ik trof slechts één keer een typo aan (op pagina 210 lezen we 'Zij bestreedt dit...') en dat mag ook wel eens gezegd worden.