Met Benny en Bert Moerman aan tafel
Bert Moerman (1987), master Slavische talen en gepokt en gemazeld in de muziekwereld, liet alles achter zich, trok naar New-York en kwam terug met ‘Niet dat het iets uitmaakt’, zijn debuutroman die meteen de publieksprijs Bronzen Uil 2018 won. Dat Bert van aanpakken weet, bleek meteen toen hij nog geen twaalf maanden later met ‘Benny’, zijn tweede boek, op de proppen kwam. Een voorstel binnen de leesgroep om dit jonge geweld uit te nodigen, viel niet in dovemansoren. Bert kwam en de leesgroep zag het goed was.
Bert, joviaal en openhartig, schrijft zoals hij op een stoel zit; hyperactief, geen moment tot rusten komend. “De aard van het beestje”, glimlacht Bert, en dat doet hij veel. “Misschien ook daarom dat ik een enorme fan ben van Amerikaanse literatuur met namen als Jay McInerney en David Foster Wallace. Ik hou van het helse tempo en de kernachtige zinnen. Bij mij moet alles snel vooruit gaan” Misschien net daarom dat hij voor Benny ongegeneerd de ingrediënten hanteerde die van Niet dat het iets uitmaakt een vlot weg te lezen en bescheiden succes maakten: een onsympathiek hoofdpersonage, een spontane, ongedwongen vertelstijl gegoten in korte zinnen en korte hoofdstukken en een flinke dosis onderkoelde humor.
“Altijd gedroomd van een schrijverscarriëre?”, werd hem gevraagd. “Totaal niet”, klonk het ontwapenend. “Het begon toen ik gevraagd werd om elke week een stukje te schrijven voor een muzieksite. En plots was er die behoefte naar meer.” Bert, opgegroeid in het nietige Zuienkerke, een stukje niemandsland tussen Blankenberge en Brugge en wonend in Antwerpen, geeft evenwel grif toe altijd met boeken bezig te zijn geweest. Russische literatuur, met schrijvers als Boelgakov, ligt hem nauw aan het hart. Van Jeroen Brouwers wordt hij heel warm, terwijl Herman Koch zijn grote voorbeeld is. “Boeken van Koch zijn altijd trefzeker geschreven, zonder veel poespas, en dicht op de huid van deze tijd. Ook zo wil ik het blijven doen.” Maar ook boeken over zingeving laten hem niet los. “Ik ben al lang op zoek naar duidelijke antwoorden op levensvragen, en alleen daarvoor wil ik wel eens mijn tijd nemen en stil blijven zitten,” aldus Bert. En weer was er die glimlach.
Intussen stond hij al tussen de literaire zwaargewichten op het podium van Saint Amour. Met de ‘echte schrijvers’, zoals hij het zelf zegt. Geflankeerd door Tommy Wieringa en Ilja Leonard Pfeijffer stond de boomlange Bert er wat stilletjes bij, maar vooral apetrots. De jonge auteur zegt van zichzelf dat hij niet de gestileerde pen heeft van een Brouwers of een Peter Verhelst. Maar verhalen neerschrijven die aan een rotvaart vooruit gaan, kan hij wel. Dat dit op een filmische manier gebeurt, bevestigt hij graag. Net daarom richt hij zich ook op het schrijven van filmscenario’s, wat hem goed lijkt te lukken. En ook zijn derde roman staat in de steigers.
Schrijven doet hij overigens steevast waar veel volk is. “Mijn eerste boek schreef ik in steeds hetzelfde café in Brooklyn. Zes weken lang, elke dag drie uur. En nadien ging ik uren aan een stuk wandelen door New York. Sedert ik Antwerpen gevonden heb, schrijf ik in mijn vaste koffiebar met mijn kop koffie en mijn papieren steeds op dezelfde plaats. En wee diegene die mijn tafel heeft ingepikt! ” Toen Bert terloops vermeldde dat hij Benny in het Engels had geschreven, werd even gefronst. “Om afstand met mijn omgeving te creëren. In New-York schreef ik in het Nederlands, in Antwerpen deed ik het in het Engels. Bovendien is het een soort bevrijding wanneer je een andere taal gebruikt. Je probeert niet meteen de juiste zinnen op te schrijven, je bent zoveel meer met het verhaal bezig. Dat omzetten in mooie taal kan je later nog doen.”’
De meeste aanwezigen waren vol lof over Benny en vonden het een onversneden pageturner vol gepeperde zinnetjes, gebalde acties, een verhaal dat niet zomaar in een hokje kan gestopt worden en een hoofdfiguur die je liever niet in je omgeving wil.
“Met Daniël heb ik een hoofdpersonage gecreëerd die denkt dat er maar één manier is om naar de wereld te kijken, en dat is de zijne. Het is geen sympathieke vent, dat is ook niet de bedoeling, maar ik heb wel geprobeerd om te tonen hoe hij in elkaar zit. Ik kan dus begrip voor hem opbrengen, ook al kon hij niet verder van mij af staan.”