Dr. Drs R. Bhagwanbali introduceert in dit boek de term "tot koelie gemaakten" naar analogie van de term "tot slaaf gemaakten" om de geschiedenis van het systeem van substituut slavernij van Hindoestanen in Suriname te beschrijven. Er zijn grote verschillen tussen de twee vormen van slavernij (Afrikaanse slavernij en Hindoestaanse slavernij). Maar Bhagwanbali laat zien dat in tegenstelling tot de gangbare geschiedschrijving, die substituut slavernij portretteert als een vorm van vrije arbeid, Hindoestanen in dat systeem onderworpen waren aan grote beperkingen in hun vrijheid. Hij beschrijft de werving in India, het transport naar Suriname, de huisvesting, de arbeidsomstandigheden, de algemene levensomstandigheden en de onmenselijke straffen (zweepslagen waren heel gewoon). Die beschrijving toont aan dat contractarbeid een vorm was van mensonterende substituut slavernij in plaats van vrije arbeid.
Heb dit boek gerecenseerd voor het vak 'Kolonialisme, migratie en dekolonisatie in de Lage Landen', dus hier toch nog even een enigszins aangepaste versie daarvan:
'De tot koelie gemaakten' richt zich op de Hindoestaanse contractarbeid, die plaatsvond van 1873 tot 1916 en ruim 34.000 Hindoestanen vanuit Brits-Indië naar Suriname overbracht om daar, na de afschaffing van de slavernij, op de plantages te werken. Het systeem is door critici vaak beschreven als een verkapte voortzetting van de slavernij; Anton de Kom schreef in 1934 in 'Wij slaven van Suriname' dat ‘’onder deze nieuwe vorm de oude slavenhandel herleefd scheen. Ook de methodes der slavendrijvers schenen wel herleefd.’’ De titel van het boek van Bhagwanbali is dan ook geïnspireerd op de term ‘tot slaaf gemaakten’ – een term die de afgelopen tien jaar steeds meer navolging heeft gekregen en oorspronkelijk werd geïntroduceerd teneinde de dwang en het onnatuurlijke karakter van slavernij te benadrukken, naar analogie van de Engelse term ‘enslaved’. Bhagwanbali neemt daarmee de stelling in dat, ondanks de grote verschillen met de Afrikaanse slavernij, het systeem van contractarbeid óók een vorm van slavernij was.
Dat een boek als dit van Bhagwanbali’s hand verscheen is beslist geen verrassing: de aan de Radboud Universiteit verbonden historicus is zelf een nazaat van Hindoestaanse contractarbeiders en is gespecialiseerd in de Hindoestaanse geschiedenis, met voor de uitgave van dit nieuwe boek reeds vier andere boeken over Surinaamse contractarbeid vanuit Brits-Indië onder zijn naam. Dat het boek uitgerekend in 2021 verscheen is evenmin verrassend: discussies rondom het Nederlandse slavernijverleden waren in de voorgaande jaren flink opgelaaid, wat in 2021 uitmondde in een rapport van het Adviescollege Dialooggroep Slavernijverleden waarin de regering werd geadviseerd een begin te maken aan het proces van excuses en herstel voor het slavernijverleden. Excuses werd iets meer dan een jaar later formeel aangeboden door premier Rutte namens de Nederlandse regering; een stap die werd verwelkomd door de Santokhi-regering in Suriname, maar tegelijkertijd bekritiseerde zij de manier waarop excuses werd aangeboden en riep zij op tot een ‘’integrale en holistische benadering van het koloniale verleden in al zijn facetten.’’
Een van die vele facetten is vanzelfsprekend het systeem van contractarbeid. In 2024, een jaar nadat ook koning Willem-Alexander namens de Nederlandse staat excuses had aangeboden voor het slavernijverleden, verzocht Bhagwanbali samen met drie anderen de koning om ook voor de contractarbeid publiekelijk excuses aan te bieden. Dat verzoek stuitte op veel kritiek van collega-historici en surinamisten. Chan Choenni sprak zich er fel tegen uit en verwierp niet alleen de vergelijking met slavernij, maar beweerde zelfs dat Bhagwanbali zich met zijn boek schuldig had gemaakt aan ‘’geschiedvervalsing’’. Hans Ramsoedh noemde de vergelijking met slavernij ‘’gotspe’’ en sprak van ‘’excuseskoorts’’. Zelfs Ruben Gowricharn, anders zeer kritisch op het systeem van contractarbeid, vond de classificering slavernij te ver gaan. Op zijn zachtst gezegd had het boek, of in ieder geval de strekking ervan, dus een vrij lauwwarm ontvangst. Hoewel dat grotendeels te wijten is aan de controversiële titel en enigszins betwistbare centrale stelling (waarover later meer), schiet het boek ook op andere vlakken ernstig tekort.
Wat daarbij als eerste in het oog springt is de opmaak, die naar mijn mening nogal slordig is. Persoonlijke smaak en voorkeur daargelaten, het boek zit ook vol met grammaticale, spellings-, formulerings- en interpunctiefouten, alsook inconsistentie in het gebruik van (vaak overtollige) citaten en het taalgebruik in het algemeen. Met enige coulance zou men kunnen inbrengen dat Amrit nog maar een relatief kleine uitgeverij is (naar eigen zeggen niettemin een ‘’professionele’’), maar als dan voor in het boek te lezen valt dat het een tweede druk betreft, die schijnbaar ongewijzigd is gebleven, baart dat wel zorgen. De slordige taalfouten zijn niet alleen ergerniswekkend – en zonde, aangezien Bhagwanbali voor de rest een zeer prettige en vrij kleurrijke, soms zelfs vurige schrijfstijl heeft –, maar doen soms ook afbreuk aan de leesbaarheid en duidelijkheid van de tekst en in het verlengde daarvan de argumentatie. Of het redigeren van de tekst de argumentatie van Bhagwanbali had kunnen redden blijft echter nog maar de vraag, want de argumenten die hij in de vijf hoofdstukken van het boek aandraagt zijn überhaupt niet zo sterk.
Om te beginnen bekommert Bhagwanbali zich in het inleidende hoofdstuk nauwelijks om de historische contextualisering van het systeem van contractarbeid. Nog kwalijker is echter zijn onwil om een duidelijk theoretisch kader te ontwikkelen of de term ‘slavernij’ überhaupt te definiëren. Het blijft daarmee volstrekt onduidelijk wat hij precies onder slavernij verstaat. Hoewel hij expliciet zegt een vergelijking met de Afrikaanse slavernij onverantwoord te vinden en deze uit de weg te gaan, is het onbedoelde en vooral ongelukkige resultaat van deze afwezigheid van een alternatieve definitie van slavernij, dat de Afrikaanse slavernij alsnog het ijkpunt van zijn analyse wordt. In plaats van zich toe te leggen op contextualisering en definiëring, lijkt Bhagwanbali in de inleiding vooral bezeten te zijn van het idee dat contractarbeid in de ‘’gangbare geschiedschrijving’’ als een vorm van vrije arbeid wordt voorgesteld en dat dit beeld rechtgezet dient te worden. Hoewel het enigszins begrijpelijk is dat hij hier een overdreven voorstelling van zaken zou geven om de relevantie van zijn boek kracht bij te zetten, blijft het een feit dat er al langere tijd consensus bestaat onder historici dat contractarbeid op ten minst een vorm van onvrije arbeid was (al zullen weinigen Bhagwanbali’s stelling dat het slavernij in de enge zin van het woord was onderschrijven). De enige argumenten die hij voor deze ‘’verloochening’’ in de geschiedschrijving presenteert zijn dan ook uitspraken van belanghebbenden en koloniale ambtenaren ten tijde van het systeem van contractarbeid en het werk van slavernijhistoricus Piet Emmer – overigens ook geen academicus zonder controverses, die zowel in het publieke debat als door collega-historici vaak fel wordt bekritiseerd.
In het hoofdstuk over het wervingsproces lijkt Bhagwanbali erop uit te zijn koste wat het kost te bewijzen dat er geen sprake was van vrijwillige ondertekening van het contract, maar van regelrechte gijzeling. Zijn argumentatie berust vooral op de misleiding die de ronselaars, de arkatia’s, gebruikten om zoveel mogelijk contractarbeiders te werven, aangezien zij voor iedere contractant van de subagenten een premie ontvingen. Dit wijst echter niet op systematische misleiding en Bhagwanbali wijst er zelf herhaaldelijk op dat diverse koloniale ambtenaren zoals de Districtsmagistraten dit soort misstanden tegen probeerden te gaan. Bovendien geeft hij toe dat er contractanten waren die het contract weigerden te tekenen na kennisname van de voorwaarden. Wel was het verboden om het hoofddepot waar de contracten werden getekend te verlaten, maar dan nog waren de contractanten vrij het contract niet te ondertekenen en sommigen werden in het depot zelfs nog opgeëist door hun familie, waarna zij het depot verlieten. Dit alles vormt vanzelfsprekend een schril contrast met het systeem van slavernij, waarin de tot slaaf gemaakte lijfelijk eigendom was van de slavenhouder en er dus geen mogelijkheid was om een contract te weigeren of om weer door familie opgeëist te worden. Bhagwanbali doet nog een vergeefse poging om zich uit deze voor zijn argumentatie ongemakkelijke historische realiteit te wurmen door vage termen als ‘’psychologische kidnapping’’ te introduceren, maar uiteindelijk slaagt hij er niet in aan te tonen dat de werving systematisch was geregeld via dwang en regelrechte gijzeling.
Ook in de hoofdstukken over huisvesting in de ‘koelie-lines’ en de arbeidsomstandigheden lijkt hij vooral argumenten aan te dragen die ofwel wijzen op algemene uitbuiting maar niet de specifieke vorm van uitbuiting genaamd slavernij, zoals onhygiënische huisvesting, slechte kinderopvang, slechte arbeidsomstandigheden en lage lonen, ofwel juist de verschillen met de slavernij lijken te benadrukken, zoals het feit dat kinderen van contractarbeiders niet geboren werden met de status contractarbeider (terwijl dit in de slavernij wel het geval was volgens het juridische beginsel partus sequitur ventrem). Het hele betoog is zodoende doordrenkt van een bizarre dissonantie tussen wat Bhagwanbali schrijft en de conclusies die hij daaruit trekt.
Het laatste hoofdstuk over het strafstelsel is ongetwijfeld het meest overtuigend, omdat Bhagwanbali zich hier richt op de meer rigide juridische kaders van de contractarbeid. Het strafstelsel, zo stelt ook Bhagwanbali, kan wel als het definiërende kenmerk van het systeem van contractarbeid worden gezien. De kern daarvan ligt in de poenale sanctie, wat inhield dat contractbreuk geen civielrechtelijke maar strafrechtelijke gevolgen had. Veelvoorkomende straffen waren geldboetes en gevangenisstraffen met gedwongen tewerkstelling, maar er was ook sprake van marteling met kromboeien of rottingsslagen. Omdat arbeid die wordt verricht onder de dreiging van straf als dwangarbeid gedefinieerd wordt, wordt contractarbeid op basis van de poenale sanctie over het algemeen ook gedefinieerd als een vorm van onvrije arbeid of dwangarbeid. Wederom wordt echter nergens in het betoog van Bhagwanbali duidelijk waarom dit dan niet alleen dwangarbeid, maar zelfs regelrechte slavernij was.
Deze recensie is tot dusver overwegend negatief geweest, maar het mag wel gezegd worden dat Bhagwanbali met zijn boek, hoe gebrekkig dan ook, veel belangrijke onderwerpen aansnijdt. Hoewel Bhagwanbali’s stelligheid dus enigszins misplaatst is, zit de kracht van het boek hem niettemin in zijn onverbiddelijkheid om de sluwheid en uitbuiting van het systeem van contractarbeid onomwonden weer te geven. Bedrog en misleiding kwamen wel degelijk voor bij het wervingsproces; de samenwerking tussen koloniale ambtenaren en plantage-eigenaren was vaak vergaand; er werden sluwe methodes gebruikt om de al lage lonen nog verder te drukken en met werkregisters te sjoemelen, zoals het omzetten van dagloon in stukloon; de mobiliteit van contractarbeiders werd aanzienlijk beperkt door bijvoorbeeld de verlofpas; en de poenale sanctie onderwierp de contractarbeiders aan zware, onmenselijke straffen en bevestigt het feit dat het hier een vorm van onvrije arbeid betrof. Bovendien heeft Bhagwanbali een zeer indrukwekkende hoeveelheid primaire archiefbronnen geraadpleegd, en hoewel het boek soms ietwat droog leest door de talloze tabellen en opsommingen van voorbeeldgevallen, moet dit toch erkend worden als een onmiskenbaar grote bijdrage aan het onderzoek naar contractarbeid. Daarvoor verdient zijn boek uiteraard alle lof en erkentelijkheid. Bhagwanbali maakt echter een te grote sprong, schijnbaar zonder aanloop, naar de conclusie dat contractarbeid slavernij was, in ieder geval in de enge zin van het woord. Wellicht acht hij die vergaande conclusie, gezien het huidige politieke klimaat, nodig om zijn verzoek tot excuses voor contractarbeid te rechtvaardigen, maar het enorme leed van de contractarbeiders zou voldoende reden daartoe moeten zijn; we dienen alle vormen van koloniale uitbuiting te veroordelen. Alles welbeschouwd is 'De tot koelie gemaakten' daarom een prijzenswaardige poging om de slachtoffers van contractarbeid te wreken, maar het slaagt er uiteindelijk niet in te overtuigen.
Het leest wat moeilijk, vooral doordat er veel stukken uit de koloniale tijd in zijn opgenomen. Maar een belangrijk stuk geschiedenis dat niet vergeten mag worden, dus zeker het lezen waard. Het geeft een duidelijk beeld van de vreselijke wantoestanden rondom het contractarbeiderssysteem.