De auteur, Paul De Ridder (°1948), is doctor in de Middeleeuwse geschiedenis, en o.a. inventarisator van het archief van de Brusselse kapittelkerk van Sint-Michiel en Sint-Goedele. De eigenlijke aanzet tot dit boek is de openbaring van prof. Robert Senelle (1918-2013) aan dr. De Ridder. Senelle was grondwetspecialist, hoogleraar en decennialang een vertrouweling van de hoogste kringen in het land. Niet de eerste de beste dus. Hij begon Paul de Ridder vanaf 2002 mondjesmaat, en vaak in versluierde termen in te wijden in wat hij “het Gentse dossier” noemde. Het verhaal dat Senelle aan De Ridder vertelde: in 1934 was er een bankencrisis. Ook de katholieke Bankenunie stond op het punt om te vallen, net als de Boerenbond. De clerus had bij katholieke spaarders veel geld opgehaald en die in minder veilige beleggingen geïnvesteerd. Er dreigde een nationaal schandaal voor de katholieke partij en de clerus. Achter de schermen probeerden dezen aan geld te komen om de spaarders te vergoeden, en één van de manieren daarbij was het doen verdwijnen van de panelen van het Lam Gods, wellicht als borg voor een grote storting van een bekende Gentse katholieke familie, hetzij om het bisdom onder druk te zetten om met geld over de brug te komen (dat hadden bisschop Coppieters en kannunik Vanden Gheyn in eerste instantie geweigerd). De daders moeten in deze theorie dus gezocht worden binnen de clerus zelf. Tot deze conclusie was ook de Duitse onderzoeker en Oberleutnant Henry Koehn reeds gekomen in de jaren ’40 (“Kirchenbedienter[…]Goedertier is nicht der Dieb”). Het paneel zou nadien meermaals verplaatst, en wellicht ook gerestaureerd zijn. Uiteindelijk kwam het door erfenis in handen van één of meer prominente katholieke families. Die zitten er nu mee verveeld en willen er graag van af, maar zonder zelf in beeld te komen. Hiertoe waren er contacten geweest met prof. Senelle.
De essentie van De Ridder en Senelle is dus: Goedertier is niet de dief, wel de afperser. De eigenlijke dieven moet men zoeken binnen het kerkelijk milieu. Het motief ligt in de bankencrisis. De Ridder en Senelle zijn niet bezig met de whereabouts van het paneel: het hangt volgens hen gewoon in het huis van een van de betrokken families, en het heeft dus geen zin overal te gaan graven en breken.
Hoe zit het nu met de geloofwaardigheid van deze stelling, de zoveelste in een eindeloze rij van theorieën, waarvan sommige te gek om los te lopen. Wel, sommige zaken pleiten toch in het voordeel van dit boek. - Senelle was in principe een betrouwbaar mens. Uit het boek komen geen argumenten naar voren om het tegendeel te veronderstellen. Niemand die Senelle in zijn laatste jaren gekend heeft, spreekt van een geestelijke achteruitgang, integendeel. - De in dit boek beschreven gang van zaken sluit nauw aan bij wat reeds vooropgesteld werd door Gaston De Roeck op zijn website iGoedertier in 2002, waarna Rudy Pieters dit te boek stelde (“De Wraak van het Lam Gods”) in 2004. Het siert De Ridder dat hij dit zonder meer erkent, en ook uitvoerig citeert uit het werk. Ook Karel Mortier, de éminence grise van de Lam Godsspeurders, neigt in zijn laatste werk uit 2005 ook meer tot deze visie, nadat hij jarenlang overtuigd was dat Arsène Goedertier de enige dader was. Bovendien zijn er onafhankelijke bronnen die in dezelfde richting van de clerus en de katholieke families wijzen: de latere getuigenissen uit de jaren ’80 van KBC-toplui Huyghebaert en Jan Bosselaers, en van de achternicht van Kamiel Van Ongeval, Kristiana De Geest. - De theorie grijpt sterk terug op de oudste bekende getuigenissen uit de jaren 30 en 40, en met name op het onderzoek van Henry Koehn, die als Duitser niet gebonden was door de omerta die er zou geweest zijn, en wiens documenten een gedetailleerde en betrouwbare indruk maken. - Koehn interviewde diepgaand ook meerdere getuigen, die door de Belgische autoriteiten gewoon genegeerd werden: weduwe Julienne Minne, broer Valère Goedertier, dokter Romain De Cock, die Arsène bijstond in zijn laatste ogenblikken, en Georges De Vos. - Julienne Minne en Valère Goedertier beschrijven Arsène als een rechtschapen, zeer katholiek en goedwillend mens, helemaal geen dief. Zij vonden dat Arsène vooral de zondebok was, om anderen buiten beeld te houden. OK, zij wilden vooral zijn naam zuiveren, en zijn dus geen onafhankelijke partij. - De eigenaardige, dubbelzinnige rol van advocaat Georges De Vos: hij was de enige die bij de laatste woorden van Goedertier aanwezig was, en we hebben dus alleen zijn getuigenis over deze laatste woorden. Karel Mortier, de bekendste onderzoeker van de zaak, meent dat de getuigenis van De Vos niet accuraat en niet volledig is. Ook ging De Vos alleen met Julienne Minne het bureel van Goedertier doorzoeken, en wat hij daaruit haalde, werd niet officieel geïnventariseerd. Een paar jaar later kreeg De Vos een senaatszetel in de schoot geworpen. - Het oorspronkelijke onderzoek, direct na de diefstal, werd door de politie zo ongelooflijk klungelig gevoerd, dat men onwillekeurig aan een doofpotoperatie moet beginnen denken. Nog erger werd het na de dood van Goedertier en de vondst van de documenten in zijn bureau: deze uiterst belangrijke gegevens werden meer dan een maand lang compleet geheim gehouden voor het publiek en zelfs voor de politie. Een triumviraat van Gentse rechters nam de zaak in handen, waarbij rechter Van Ginderachter, die tevoren niet betrokken was, en van toeten noch blazen wist, aangeduid werd als (enige) onderzoeker. Die scharrelde wat rond, uiteraard zonder resultaat, terwijl commissaris Luysterborgh, die al maanden met de zaak bezig was, volkomen in het ongewisse gelaten werd. - De houding van het bisdom is bijzonder lauwtjes, alsof ze liever niet hadden dat het paneel, en daarmee de achtergrond van de diefstal uit zouden komen. - Op één punt ging zelfs Kardinaal Van Roey zich moeien: toen Jan Boon in de Standaard meldde dat het paneel gelokaliseerd was, en dat betrokkenen het moesten tevoorschijn brengen, of hij zou “man en paard noemen”. Boon werd naar Van Roey gesommeerd en deed er nadien het zwijgen toe.
Goed, al deze elementen zijn niet meer dan circumstantial evidence, en geen direct bewijs.
Een belangrijke vraag is: hoe is prof. Senelle eigenlijk aan deze informatie gekomen? In de inleiding (p. 13) vermeldt De Ridder dat Senelle na WO II rechter is geweest, auditeur bij de Raad van State, en rechterhand van de toenmalige premier Achiel Van Acker. In deze hoedanigheid ”raakte hij op de hoogte van een aantal compromitterende aangelegenheden.” Iets hoger staat:” Eén hiervan is ongetwijfeld de zogenaamde diefstal van het Lam Gods.” Verdere bijzonderheden worden ons door De Ridder onthouden (of weet hij niet). Een eerste voorbeeld van zijn geweldige neiging om vage mogelijkheden in één ruk op te voeren tot zekerheden. Jumping to conclusions dus. De Ridder gaat inderdaad toch wel heel vaak kort door de bocht. Hij maakt voortdurend fouten, deels feitelijke onjuistheden, vaker interpretatiefouten. De Ridder laat zich op sleeptouw nemen door zijn enthousiasme, door zijn droom de ultieme redder van de Rechtvaardige Rechters te zijn. - De bewering dat bisschop Coppieters al in 1935 aangaf dat het paneel zou beschadigd zijn, en het dus gezien had, lijkt me niet gefundeerd. Waarschijnlijk was het gewoon een verspreking en bedoelde de bisschop “het altaarstuk” dat beschadigd was, en niet “het paneel”. - Wanneer kanunnik Vanden Gheyn direct na de diefstal zegt: “C’est une vengeance”, besluit De Ridder onmiddellijk dat hij hiermee verwijst naar mensen binnen de kerk. - De uitlating van bisschop Coppieters, “Ho, maar later zullen we u veel te vertellen hebben”, vindt De Ridder andermaal een sterke aanwijzing voor de betrokkenheid van hoge clerici. - Dat het paneel nog enkele malen verplaatst zou zijn, is eigenlijk nergens bewezen. Deze bewering berust enkel op multi-interpreteerbare en vage uitlatingen. - Hij houdt mordicus vol dat het paneel eerst in Sint-Baafs is gebleven tot na de dood van Goedertier, dat het toen tevoorschijn is gehaald door iemand van de clerus, dat het beschadigd was, en dat het nadien door Vanden Gheyn bewaard werd. Allemaal niet bewezen.
En dan komen we tot het echte zwakke punt van dit boek: de stijl. De Ridder schreef een boek van 366 blz., waarvan de inhoud, het spijt mij dit te moeten zeggen, ook op 100 blz. zou gepast hebben, meer zelfs, het boek zou hierdoor bijzonder aan structuur, overzichtelijkheid en zeggingskracht gewonnen hebben. Nu helaas is het een oeverloze herhaling van beweringen en citaten, waarvan sommige 10 keer terugkomen. En niet alleen dat, maar de gehanteerde stijl is schreeuwerig en de permanente withete verontwaardiging is dodelijk vermoeiend. De tekst wemelt van de uitroeptekens, de sics (vaak nog onterecht gebruikt), en de beletseltekens (drie puntjes). De tekst is gelardeerd met overbodige tussenzinnen zoals:
P. 298 ”Men moet goed beseffen wat hier aan de hand is!”
P. 313 ”Men moet goed beseffen wat hier gebeurt!”
Ja, daarvoor lees ik het boek, mijnheer De Ridder. Zo spreek je de lezer niet toe in een ernstig bedoeld werk. Dus niet alleen inhoudelijk, maar ook vormelijk gaat De Ridder zijn boekje serieus te buiten.
Ook van bedenkelijk niveau zijn de persoonlijke aanvallen die De Ridder lanceert op de journalisten Marc Reynebeau en Rik Van Cauwelaert, waarbij dient gezegd dat dezen zich ook niet onbetuigd lieten inzake denigrerende opmerkingen. De polemieken tussen de heren zijn jammer, temeer daar Reynebeau en De Ridder inhoudelijk eigenlijk voor een stuk op dezelfde lijn zitten. Alleen schijnt de ene de andere het licht niet in de ogen te gunnen. Quid NVA kan men zich hierbij afvragen, aangezien De Ridder 5 jaar lang lid is geweest van het Brussels parlement voor de NVA, en Reynebeau zoals bekend de Ueber-NVA-basher van de Standaard is. De politiek speelt altijd en overal mee, niet alleen in 1934, maar ook nog in de 21ste eeuw… Wat Van Cauwelaert betreft: ook diens positie is niet ondubbelzinnig, want hij is een nazaat van een van de families die betrokken zouden zijn.
This entire review has been hidden because of spoilers.