In hele korte hoofdstukjes van hooguit 4 bladzijden schrijft Jan Pekelder, hoogleraar taalkunde aan de Sorbonne, ditjes en datjes over het taaldier mens en over de Nederlandse taal. Erg diep gaat het allemaal niet, maar dat is ook niet de opzet van dit boek. Lectuur die zich vlot laat weglezen.
Een aantal fijne weetjes over het taaldier mens: doordat de mens vlees at, groeide zijn breininhoud tot het nodige volume om tot taal te kunnen komen. Bij de moderne mens is dat zo'n 1400 à 1800 cc. Of nog: door op twee voeten te lopen kwam er minder druk op de longen, een belangrijk voordeel om voldoende zuurstof te hebben om te praten zoals wij dat doen.
Pekelder is nog een aanhanger van Chomsky en gelooft stellig in een 'aangeboren taalinstinct' bij de mens. Over de nieuwe wind in de taalkunde die dat ontkracht, kom je niet meteen veel te weten.
Verder zijn er ook fijne weetjes over het Nederlands: de natuurlijke grens die voor de taalgrens zorgde in België (een oerbos), Nederlands had naast Afrikaans nog meerdere dochtertalen (meer dan tien, bv. Berbice en Skepi in Guyana, Negerhollands (sic) op de Maagdeneilanden Sint Jan, Sint Thomas en Sint Kruis.
Jan Pekelder verontschuldigt zich dat hij geen bronnenlijst toevoegde, het was niet meer te achterhalen in de meeste gevallen. Toch is dat een gemis in dit boek. Alleszins een lijstje met 'verder lezen' of een register met trefwoorden was een meerwaarde geweest voor dit boek.