De mol en andere dierenzkv’s is een luisterboek met 34 zeer korte verhalen van A.L. Snijders. Snijders leest zelf alle verhalen op een intense manier voor. Maar De mol is eveneens een fijn leesboek met krachtige tekeningen van Jan M. Verburg.
The Dutch writer A.L Snijders, pseudonym of Peter Cornelis Müller (Amsterdam 1937), was the master of the Very Short Story (Zeer Kort Verhaal, ZKV). He published columns in several newspapers since the 1980's. Editor Thomas Rap published them in 4 books in de nineties. Since 2006 the columns have been republished in several books.
In November 2010 A.L. Snijders received the Dutch Constantijn Huygensprize for his entire oeuvre, but specifically for his Very Short Stories.
A.L. Snijders, wie kent hem niet in de Lage Landen, de grootmeester van het ZKV, het zeer korte verhaal. Was regelmatig op TV te zien met die markante kop met overstromende beharing. Elke zondagochtend aan de radio gekluisterd om tenminste de laatste minuten van het programma “De Ochtend van 4” van 7 tot 9 te beluisteren, want A.L. Snijders droeg zijn wekelijkse ZKV voor….. zo’n Snijders ZKV …. die compositie …. soms 10 regels, soms 40, zelden meer dan een pagina.
In zijn voorwoord bij deze 35 dierenzkv’s heeft Pieter Steinz het over zijn subtiliteit, zijn Romeinse kernachtigheid, zinnen als scherpe messen en roemt hij zo’n bespiegeling - tussendoor - als: ”In een nu ver achter ons liggende lente ontdekte ik in de balken boven de fietsen een nestje van een winterkoning (of is een nest van een winterkoninkje stilistisch te preferen? Van niets lig ik zo vaak wakker als van stijl).”
Inmiddels is er een A.L.Snijders prijs voor verhalen tot 220 woorden. Op mijn boekenplank prijken zo’n 5 bundels, inmiddels is hij in 2021 op 84-jarige leeftijd overleden, maar die stem!!! ….. die gedragen intonatie! ….. onvergelijkbaar, zo’n ingesproken ZKV … alles zat erin … liet mij haast verweesd achter.
Gelukkig bevat deze bundel een CD die ik op de kop kon tikken (uit een biepexemplaar wazzie al verdwenen).
MAAIMACHINE
Achter ons huis ligt een veld met dunne, hoge zomergrassen, verschillende soorten, gepluimd ongepluimd, alsof er geen kwaad in ons schuilt. Je wordt zes jaar als je ernaar kijkt, naïef en onbezonnen. Het land is eigendom van een biologische boer. Het moet gemaaid worden, de loonwerker komt. Zijn machine is met vijf cyclomaaiers behangen, twee voor, drie aan de zijkant. Erger dan de metalen overheersing is het lawaai. De ree vlucht, maar haar jong is nog te klein, het heeft een andere bescherming, het drukt zich plat tegen de aarde. De machine maakt er in een seconde tartaar van. Na het maaien worden de grassen in regels gelegd en door de opraapwagen naar de boerderij gebracht. De stilte komt terug, alles heeft enige uren geduurd, de grassen zijn een paar centimeter hoog, het geschoren land is lichtgroen. De ree staat dagenlang op de geboorte- en sterfplaats. Ze verjaagt kraaien en buizerds, ze drukt haar neus in de aarde, van haar jong is niets over dan herinnering en geur. Haar schuwheid is ook verdwenen, ik kan haar tot twintig meter naderen. Als ik praat met de biologische boer op zijn tractor (z'n commentaar: de een z'n brood is de ander z'n dood) staat het dier in nerveuze aandacht op korte afstand naar ons te kijken. Hebben dieren verdriet? Dat zou ik willen weten. Niet zomaar van een voorbijganger of een journalist maar van iemand die gestudeerd heeft.