Echt ongelooflijk dat bij de herdruk uit de jaren 80 (van dit boek uit 1932) nog op de achterflap kon staan: 'Waarschijnlijk is het alleen mogelijk voor iemand met de achtergrond en het talent van Madelon Székely-Lulofs om zó overtuigend vanuit de oosterse gedachtenwereld te schrijven' en dat dit boek dan gewoon vol staat met zinnen als 'Het bleef in de zware dichte stilte, die de essence is van hun duister wezen en die hen maakt tot de eenvoudigste, de klaarste filosofen en tegelijk tot de wreedste, gruwzaamste kinderen' en 'Uit zijn prehistorische droom was hij wakker geschud en ontwaakt in de blanke beschaving van de twintigste eeuw.'
Maar ondanks het racistische en seksistische wereldbeeld dat uit dit boek spreekt, ondanks het essentialisme en de clichés, ondanks het oubollige van de taal, die drie puntjes waar zo'n beetje iedere zin mee eindigt (zelfs de laatste zin, en dat is echt een doodzonde...) en de accenten die te pas en te onpas (vooral veel te onpas) werden rondgestrooid, ondanks dat alles vond ik dit een heel mooi boek. Ik was gegrepen, bewonderde de beschrijvingen en werd verdrietig van het leed en de berusting die Székely-Lulofs beschrijft. Ook weer gelezen voor 'Caraïbische dromen' - ik kijk uit naar het college.