Zij reizen, met de seizoenen mee, van dorp naar dorp. Zij plukken en oogsten in het voorjaar asperges en aardbeien, in de zomer meloenen, lindebloesem, lavendel, fruit en druiven en rond kerst olijven en kaki’s. Het zijn vooral mannen, verloren en zoekend, die dat zware werk doen en ze worden door de plaatselijke bevolking met de nek aangekeken en uitgebuit door hun werkgevers. Wanneer een vrouw meedoet bij de oogst leidt dat altijd tot ophef in de ploeg, of na het werk in de kroeg.
Rosalinde heeft dit leven bewust gekozen. Een leven aan de rand van de maatschappij, tussen de opdringerige mannen, maar altijd buiten, in de onverschillige en prachtige natuur. Ze denkt veiligheid te vinden bij haar vriendin Mounia – in alles haar tegenpool en misschien wel daardoor een baken van liefde en rust. Maar dat blijkt niet meer dan een illusie. Wie kan je vertrouwen en waarnaar ben je eigenlijk op zoek?
Net als in Open zee slaagt Catherine Poulain erin om de lezer een onbekende wereld binnen te trekken: die van de fruitplukkers in de Provence onder de verzengende zon, met snerpende krekels, korte nachten en ongekende geuren. Of in de Alpen, in de modder en de kou. De fruitplukkers geeft – voor het eerst in de literatuur – een stem aan deze buitenstaanders die we anders nooit horen.
Dans son précédent roman (Le grand marin, 2016), j’ai été enivrée par la justesse de l’écriture qui a su appeler les effluves du vent du large. Cette fois-ci, l’action se déroule sur la terre ferme, quelque part dans le sud de la France.
À travers les yeux de Rosalinde et de Mounia, on assiste à la dureté de la vie quotidienne d’hommes et de femmes nomades qui gagnent leur croûte dans des conditions extérieures difficiles. Ce sont des « saisonniers », i.e. des travailleurs agricoles qui œuvrent sporadiquement dans les champs, traînant leur solitude et leurs blessures d’une récolte à l’autre au rythme des saisons. Est-ce le besoin de liberté ou le sentiment de ne pas trouver sa place dans la société normée qui les guident à vivre ainsi loin du bruit des autres ?
L’autrice dépeint adroitement l’ambiance glauque, le climat de violence et l’état d’esprit de ces écorchés de la vie, ces bohèmes qui s’enfuient dans la nature alors que l’immensité de celle-ci n’est parfois même plus assez vaste pour contenir leur mal de vivre. Pour apaiser cette source intarissable de désespoir, soir après soir, on se saoule la gueule jusqu’à se perdre.
"Soms is de ziel moe. Je voelt verontrustende, heftige schokken, een radeloze gekweldheid, een verborgen doodstrijd die je bevreemdt en verscheurd. Je verlangt naar iets anders, je wilt definitief vertrekken, vluchten misschien, naar de oceaan of zo. Maar ik zucht alleen maar. " " Ik ga weg, zeg ik ineens bij mezelf. Ik heb zin om de oceaan te zien. De gedachte alleen al doet me verlangen naar de ruige smaak van het stuifwater op mijn lippen, de sprankelende frisheid van het water waarin ik half-vrouw, half-vis ben, zonder vorm of gewicht, vrij en naakt in de golven. Ik ga weg. Ik ga nergens meer aan denken. Ik zal slapen in een rotsholte. Als ik wakker word, is het prachtig weer, dan staat er een klein briesje en vegen overvliegende meeuwen de hemel schoon. En ik zal me helemaal uitrekken, benen en armen als een ster rond mijn lijf. "